Posts tonen met het label creatief schrijven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label creatief schrijven. Alle posts tonen

maandag 13 september 2010

De Smaak van Verlangen (Rama en Sita in 2010)


Rama en Sita © Heather W.

Mijn wangen proeven elke dag
De eenzaamheid, de wil
Tijd kabbelt voort
Alles staat stil

Je bent koud, je bent kil
Mijn inbox blijft leeg
Je levensschetsen
Ik ben nog slechts het grijs
van een potlood
Na een gomveeg

En toch sta ik hier
Uitgespreide armen

Ik kijk
Naar verdwaalde eilandbewoners,
Seriemoordenaars, verwarde schrijvers,
Ik kijk,
Maar ik zie niets
Zo onbelangrijk

Harde decibellen vullen mijn gehoor
Ik ben Remi
Veinzend dat ik gloor
Maar vanbinnen vlechten zoute tranen
Mijn hart onzichtbaar

Wachten op jou
Een marteling zonder littekens
Als zonder zonden leven
Voor een gelovige
Verheven

Geen andere schouder biedt mij troost
Geen andere stem brengt mij in vervoering
Geen andere mond die mij liefkoost
Nooit

Er is geen ander
Er was geen ander
Ik verleidde niemand
Nooit

Al wat ik opving
waren kwade bedoelingen
Dus ik ging
Onverlet

Ik hoop
Ik hoop vanuit het binnenste van mijn ziel
mijn hart, mijn lichaam
Zo waar, ik kniel
Ik hoop dat er gegrift staat
Hoe jij mij lief had
En leerde hoe ik lief moest hebben

Ik hoop
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht

woensdag 14 juli 2010

Bij de Lokatie

B: “Ik kom een fornuisje kopen bij jullie. Bij de Lokatie.”
H: “Kan je wel koken dan?”
B: “Jaahaa, ik heb net mijn uitkering gekregen.”
H: “Niet kopen, Beppy, kóóóken. Of je wel een beetje kunt koken. Ik plaag je maar, snap je?”
Beppy kijkt verdwaasd. “Het is echt drama thuis. We hebben maar twee pitten joh. Echt dráááma. Ik wil lekker kunnen koken.”

Beppy’s oog valt op een ingelijste aquarel die tussen de keukenspullen is beland. Ze pakt het op en houdt het omhoog.

H: “Vind je ‘t wat, leuk ding hoor.” Hermien glimlacht innemend. Ze kijkt weemoedig naar Beppy. Naar de slordige broek in versleten sloffen. Naar de vette grijze haren en de brilglazen vol vingervlekken. Beppy legt de lijst terug en sloft richting het witgoed.

H: “Zullen wij dan maar eens kijken wat we nog hebben staan?” Hermien loopt langs Beppy richting de wasmachines, fornuizen en koelkasten achter in de zaak. Daar zien ze Petra. Petra is een vrijwilligster voor de Lokatie. Ze monteert meubels.

B: “Wie is dat gekke mens daar. En waarom zingt ze zo hard. Ik krijg er pijn van aan mijn oren.”
H: “Beppy toch, dat is Petra. Die werkt hier. Vroeger stond ze met de straatkrant bij de Appie hier om de hoek. Heb je haar daar nooit gezien? Ze kan alleen maar werken als ze haar muziek opzet, kijk die dingen in haar oor. Dat noem je een mp3-speler.
B: “Ja dat weet ik ook wel. Ik ben niet achterlijk. Kom, laat eens zien of je een mooi fornuisje voor Beppy hebt.”

Beppy ziet een gasfornuis met oven staan.

B: “Wat moet dat kosten?”
H: “Vijfenzestig eurootjes Bep. Koopje.”
B: “Koopje? Weet je wel hoeveel dat in guldens is?
H: “Dat kun je zo toch helemaal niet berekenen, alles is veranderd, ik verdien ook meer sinds de..
B: “Nou, mij ken je nog wel meer wijsmaken. Ik geef je er een geeltje voor. En je kan een keer spinazie met blinde vinken bij me komen eten.

Hermien aarzelt. Mensen proberen altijd af te dingen bij haar. Ze weet niet of het komt door haar grijze haar en elfenblauwe ogen. Of is ze gewoon te vriendelijk? Ze wil net op Beppy’s aanbod ingaan als Petra hun aanwezigheid opmerkt.

P: “Das een mooi dingetje hoor”. Petra wijst met haar schroevendraaier naar het fornuisje. Opnieuw die verdwaasde blik.
H: “Deze mevrouw heeft er vijftig euro voor over. Wat vind jij, Petra? Jij hebt ‘m tenslotte in orde gemaakt, is het niet?”
P: “Dat fornuis? Ze kijkt bedenkelijk. “Is een hele goeie, hoor. Vijfenzestig is een vaste prijs.”
B: “Hermien, jij bent hier toch de baas", zegt ze zachtjes terwijl ze met argusogen naar Petra kijkt.
H: “Ik maak de prijzen niet, Bep. En bovendien, je hebt net je uitkering. Wat maakt vijftien euro meer nou uit?”

Beppy loopt rood aan. Ze neemt haar bril af en wrijft de glazen ervan driftig langs haar jas.

B: “Vijfenvijftig”.
H: “Sorry.”
B: “Zestig.”
B: “Vijfenzestig”

Hermien kijkt vreemd op. “Verkocht”, zegt ze enthousiast en slaat haar armen in de lucht. Beppy zegt dat ze blij is dat ze het fornuis voor die prijs heeft gekregen. Ze gaat thuis meteen lekker koken voor zichzelf. En Puk, haar hondje, die krijgt ook heus wat.

B: Maar eerst kopen hè, en dan koken. Ze glimlacht naar Hermien. Haar linkerglas is nu helder, de rechter nog steeds vuil. Hermien ziet niet of Beppy knipoogt of met haar ogen knippert.

vrijdag 28 mei 2010

Prik, de bel is weg

© Helen Levitt, courtesy Laurence Miller gallery

Het is 1942, New York. Poppy, Augello, Ruby en Coretta spelen verstoppertje in de achterafstraatjes van Brooklyn. “Kom, we halen Lauryn op. Ze is weer beter. Ruby mist haar hartsvriendinnetje. De meisjes stemmen in en samen lopen ze richting East Flatbush om te vragen of Lauryn buiten komt spelen. Ze moeten nog één block als Poppy opeens stil staat. Ze staat nog maar met één voet op de grond. Haar linkerhand maakt een halt-gebaar en de rechter gaat naar haar mond. Poppy zuigt op haar duim en kijkt dromerig naar de gemetselde muur aan de overkant van de stoep. De andere meisjes zien het ook. Augello durft niet te dagdromen. Ze staat met haar arm in haar zij, alsof ze wil zeggen: “Ik zie het wel maar ik weet nog niet wat ik ervan moet denken, hoor”. Ruby snapt het allemaal niet zo, maar blijft verschuilt zich toch maar achter haar grote zus. “Het is maar bellenblaas. Jullie kijken alsof het goud regent”, zegt Coretta bits. Normaal luisteren ze altijd naar haar, nu lijkt het net of ze haar niet eens horen. Wat is er nou zo bijzonder aan die zeepbellen? Poppy zegt enthousiast dat ze zeker weet dat er achter die muur nog veel meer bubbels zijn. Peter Pan is daar, hij blaast bellen voor Tinkebel! Die woont ook in zo’n bel, dat heeft mama laten zien in mijn voorleesboek. “O, echt?” Augello kijkt haar ongelovig aan. Ruby kijkt naar Augello en dan naar Poppy. Ze vinden het reuze spannend dat er een echt sprookjesfiguur achter de muur woont. De meisjes zien een bos met knapperende takken en blauwe fonkelende sporen van in het rond dwarrelende feeën en vlinders. Ze zien Peter Pan die ijverig in zijn boomhut sop staat gaar te koken. Een bellenblaas zo groot als een visnet houdt hij voor zich en met alle lucht die zijn longen kan vullen blaast hij bellen voor Tinkebel. Coretta zegt dat het niet kan. Dat wat in de voorleesboekjes staat heus niet echt waar is en dat ze het zal bewijzen ook. “Zet je voeten maar op mijn handen.” Poppy trekt het klittenband strak en zet een voet op Coretta’s in elkaar gevouwen handen. “Ik zie niks”, zegt Poppy teleurgesteld. Augello lijkt door haar afro een stuk groter dan Poppy, maar eigenlijk schelen ze maar een halve kop. Augello’s moeder had een lap stof van de markt meegenomen waar ze twee jurkjes van maakten. Een voor Ruby en een voor Augello. Maar omdat Augello zo hard groeide moest haar moeder er een rokje van maken. Augello zet haar waterschoentje af en vouwt haar stoffige handen om de rand van de stenen muur. “Zie je wat, zie je wat?”, roepen de andere meisjes in koor. Nu kijkt Corette zelfs met grote opengesperde ogen naar boven. “Ik zie geen Peter Pan. Ik zie alleen een man met een grote, rode neus.” Is hij prins of misschien een koning? Augello trekt een pruillip en komt weer naar beneden. “Nee. Het is die man die Lauryn ballonnen gaf toen ze heel erg ziek was. Die enge, witte man.”

woensdag 26 mei 2010

Schrap me

Docent Analyse van Tekst en Taal Merijn Henfling vertelde vandaag over Dimitri Antonissen: een schrijver die niet schrijft maar schrapt. ALs Chef Nieuws is hij dagelijks bezig de krant te vullen. 'S avonds pakt hij een dikke zwarte stift en laat alleen de essentie van artikelen ongemarkeerd. Wat overblijft is een soort koelkastpoëzie. Ontroerend en humoristisch. Hij heeft een bundel uitgebracht bij Wintertuin.

Een eigen poging tot stiftdichten resulteerde hierin:

Een hart
zonder gevoel
druppelt
ijzer
Gevoel
draait
het
leven honderdtachtig graden om
Het
onthult
in
mensen
drama

donderdag 20 mei 2010

Ik kan niks met een knol

"Zij kan het echt goed", zegt een blonde Amerikaanse tegen haar dochter. Ik zeg dat ik het nog nooit eerder gedaan hebt, en tik mijn paard als teken dat hij sneller moet gaan. De Amerikaanse kijkt me ongelovig aan. Op het moment dat ze 'no way!' roept maakt haar kleine bonkige paard een onverhoeds sprongetje. Ze is als de dood, ik zie de angstzweetdruppels langs haar zonneklep druipen. Ze gilt alsof iemand met een natte opgerolde theedoek op haar kont slaat. Ik kreeg net als zij een kleine knol toegewezen. Voor ik er uberhaupt op zat had ik vastbesloten tegen de begeleider gezegd dat mijn knol te klein was en gelukkig mocht ik een fier, zwart blinkend paard beklimmen. De adrenaline ruist door mijn lijf als ontstoken vuurpijlen. Mijn paard is op dreef. We daveren tussen rotsen, over rivieren en door bossen. Ik moet steeds de naaldbomen ontwijken, maar ik ben onbevreesd. Hoe had ik ooit kunnen denken dat paardrijden louter bestemd was voor meisjes met visgraatvlechten? Ik voel mij één met het paard, het naaldenbos, de koortsige zon en de grillige bergen. "Wat een aanstellers"', denk ik bij elke aanblik van de hijgende toeristen om mij heen. Twee Franse meisjes bespreken de overeenkomsten tussen paardrijden en een te ruwe vrijpartij. Stiekem voel ik natuurlijk ook wel die nietsontzienende stoten tegen mijn stuitje. Momenten dat ik ontzag voel voor die meisjes met visgraatvlechten. Dat ik mij afvraag of zij een ruwe worsteling in de slaapkamer beter kunnen verdragen door de pré-ontmaagding op hun pony. Ik geef me volledig over aan mijn paard. Gestroomlijnd, zoals ik ruiters op tv zie doen. Met een donkergroene Championstrui om mijn middel en in spijkerbroek. Ik ben een winnaar. We komen aan in het inheemse indianendorpje San Juan Chamula temidden van het Chiapas gebergte. Mijn paard krijgt een vluchtige afscheidszoen. Over drie uur gaan we weer terug, in de tussentijd ben ik weer klein,kwetsbaar en niet in staat de natuur aan te raken. De Amerikaanse dumpt haar knol bij de begeleider en maakt dankbaar gebruik van het afvallersbusje. Ik moet er niet aan denken, in zo'n dampende bus foto's schieten door het raam, met de flacon zonnebrand nog ongeopend in de tas en je handen op schoot gevouwen. Ik verkies de rinkelende belletjes van mijn kleurige zadel, de takken die in mijn gezicht slaan en de onvoorspelbare moerassen onder mij. Ook al loop ik de dag erna alsof ik met met mijn kont op een gloeiende barbeque ben gaan zitten.

verscholen in het spel

“Mag ik je vergezellen?”
Dim knikt. Zijn ogen blijven strak op het beeldscherm gericht. Alsof hij door een verrekijker kijkt.
“Ik ben door je spullen gegaan.”
Dim geeft geen kick. Hij drukt op Start, ‘new game: multi-player’.
“Wanneer ga je me vertellen wat er met je aan de hand is, Dim? En wat moet je met al die prozac in je tas? Je bent niet eerlijk tegen me. En wat heeft dat briefje te betekenen. Met het nummer van Ellen, dat is toch niet Ellen, Ellen hè?”
“Sterf. Godverdomme sterf, klootzakken!” Dim maakt wilde bewegingen met zijn arm. Hij haalt zijn vertrapte Nikes van tafel en buigt zich nog meer naar de tv. Met zijn controller volgt hij de bewegingen van zijn spelkarakter. William kijkt naar de nikes en dan naar zijn opgepoetste van Bommels.
“Is zij het?”
Dim smijt de controller op de salontafel die bezaaid is met zijn troep. Een overvolle asbak, een houten snijplank met een groot hakmes en een berg wiet erop, een bord met restjes pizza, een fles Fanta, twee oude Nokia’s en een foldertje van een pizza-shoarmatent. De fles Fanta valt om.
“Godverd..shit..shit.. mijn wiet, mijn wiet. Hij knielt en schraapt wat hij nog redden kan bij elkaar. Hij trekt zijn shirt met blauw en gouden draken uit zijn broek en vangt de wiet ermee op. William legt zijn controller op de salontafel en staat op om een theedoek te pakken.
“Geef me de lange vloei en shag eens aan. Dim ploft weer op de bank en wil een jointje draaien van de wiet die hij in zijn shirt verzameld heeft als vis in een net.
William grist het pakje shag van tafel en gaat voor het beeldscherm staan.
“Luister Dim. Ik wil je helpen. Je slaapt hier nu al een week. Eerst zie ik je een jaar niet en dan sta je ineens voor de deur. Je zegt niks, je doet niks. Het lijkt alsof je constant verdoofd bent. Hoor je wel wat ik zeg?”
Dim likt aan de vloei en kijkt langs William naar het flikkerende balkje met Pause erop.
“Ik heb haar gebeld.”
“Je hebt wat? Ben je godverdomme helemaal besodemieterd? Dim springt op. Plukjes wiet vallen op het Zweedse lussentapijt.
“Wat denk je nou. Dat je verantwoordelijk voor me bent omdat je mijn grote broer bent? Met je maatpakken van Oger en je designkeuken. Jij bent hier de zielenpiet, niet ik. Je uitsloven voor een vrouw die ons verraden heeft. Ik kan de angst zo van je gezicht lezen. Je bent bang dat mensen zullen denken: wat moet hij met dat straatjoch in huis? Maar ik ben zo weg hoor, maak je maar niet druk.”
“Ik heb haar niet gebeld. Ik wil gewoon weten wat er met je aan de hand is.”
“Daar heb je niks mee te maken. Ik moet haar gezien hebben voordat ik..”
“Wat?” Dims ogen schieten vol.
“Voordat je wat, Dim? Zeg wat!”
“Ik weet geen andere uitweg, Wil.”

woensdag 21 april 2010

De kledingverkoopster

“Mevrouw, mag ik wat vragen?” Geen reactie, alleen een stapel zwarte broeken die recht gelegd wordt. “Heeft u deze jas ook in maat S?” Ze zegt dat ik het bij de kassa moet vragen. Ik vraag het achtereenvolgens:
-Bij de kassa op de begane grond,
-Bij de pashokjes,
-Aan een verkoopster rechts van de kassa op de eerste verdieping.

Er staan twee rijen voor de kassa op de eerste verdieping. Ze reiken bijna tot aan de pashokjes waar de verkoopster van daarnet verveeld naar de kledinghanger in haar hand staart. Morrend sluit ik aan in de rij. Ik kijk op mijn horloge. 15.45.
Schuin achter mij staat een Duits meisje met, ik vermoed, haar moeder. Ze kijken met argusogen naar de rij voor mij die sneller inkrimpt. Het meisje zegt tegen haar moeder dat de rij niet kopt. Ik zeg dat dit een gangbare Hollandse rij is.

De jas is er nog in maat S. Even naar het magazijn bellen. Twee nagels met dikke witte randen nagellak slaan driftig op de toets met een ‘m’ erop. De Zara medewerkster (waar ook ter wereld) ziet er zo uit: getinte huid, zwart haar strak achter op het hoofd gebonden, centimeters dikke laag foundation, zwartomlijnde ogen en mond als een omgekeerde halve maan.

Ze krijgt een vriendinnetje aan de lijn. Er wordt gegiecheld en de nagels tikken nu rustig op de kassa. Ze bespreekt iets in het Turks. Het ziet eruit alsof ze vertelt dat haar nieuwe vlam vandaag op de zaak is verschenen. Ze heeft de hele dag met stapels chiffonzijde jurken gesjouwd, nu kan ze even bijkletsen. Ik kan haar toch niet verstaan. Even kijkt ze naar me, en ze stelt vast: nee, zeker geen Turkse.

Ze zegt dat de jas eraan komt. Een Antiliaanse (geen Surinaamse, die plakken hun donsharen rondom het gezicht niet met gel op hun hoofd) draagt een bruine trenchcoat en namaak Uggs. De knopen van haar jas lijken er bijna af te springen. Ze rekent een zwarte glimlegging en blauwe spijkerbroek met witte verfspatten af, maat 46. Ik speel twee potjes Patience op mijn iphone en check de tijd: 16.10.

De jas komt niet. Het meisje met de lange, witte nagels zegt: “Ik ga je jas halen, hij zit niet in de lift”. Ik knik en zeg: “Ok”. Ik begin te denken dat het misschien deel van de taakomschrijving is: ‘Laat klanten minimaal twintig minuten wachten. De wachttijd bevordert de aankopen aanzienlijk. Leg afgeprijsde artikelen in het zicht van de klant, dicht bij de kassa en plaats er een spiegel bij.’

“Sorry, maar ik heb ‘m niet meer” (alsof deze toko van haar is), en ze neemt weer gedwee plaats achter de kassa. Geen lachje, geen medelevende blik, geen pruillip, niks. Hup, daar gaat ze weer, terug in haar routine:
“Wilt u een tasje? Fijne dag.”

dinsdag 6 april 2010

De verrassingsautomaat (alternatieve scene uit Turks fruit)

In die winkelgalerij naar het strand van houten winkeltjes en keetjes en vreettentjes, als het decor van een dorpstraat uit een western na de opnamen, drentelde ik achter haar aan. Er kwam een briesje over haar heen. Het tilde haar rooie haar op van haar schouders, die onder de sproeten zaten, en liet het weer vallen. Ze droeg een paarse omslagdoek. Die maakte ze zelf van een stuk stof bij het grofvuil. Haar vlezige kont draaide rondjes tegen de strakgespannen stof. Gekneld als rubensvrouw in een korset. Mijn pik werd stijf. Alleen Olga kreeg dat voor elkaar. Dan liep ze welbewust heupwiegend voor me uit tot ik haar een steegje in sleurde. Ze zei dan dat het kwam door haar Hollandse heupen die als kazen waren. Het was haar loopje. Ze vond het hier heerlijk. De geur van frites, vruchten en vis, de jongens die naar haar floten als we voorbij kwamen, of zeiden 'wat een stuk', of onder gelach smerige dingen naar haar fluisterden, de vermoedelijke eigenaresse van een kledingzaak die met gefronste wenkbrauwen naar haar diep uitgesneden jurk keek, de meeuwen die de lage daken van de keurig gemetselde huisjes bevolkten. Als ik bij haar was voelde ik mij als een kind dat met zijn moeder herenigd wordt in een grote mensenmassa. Als we nu op een kermis waren zou ik een knuffel voor haar proberen te winnen bij een grijpmachine. Zo'n grote witte pluisbeer met een groot hart op zijn buik. Ze zou die beer van me aannemen met omhoog kijkende mondhoeken en die goudbruine pretogen van haar. De jongens die haar gewoonlijk inhalig en likkebaardend bekeken zouden nu alleen over de boorden van hun jasjes naar haar durven gluren. Niet om haar obscene lijf, maar om de grijnzende ploertenkop die naast haar liep en zijn domein afbakende met een pluche beer.
“Liefste, wil je een verrassingsei? Misschien zit er wel een plastic gouden ring in. Kunnen we meteen naar het stadhuis.”
“Als er een ring in zit trouw ik met je.”
Ik zag dat ze het meende. De zon wierp een hete schaduw over haar rug, ze hield een hand boven haar ogen, als een zonneklep. Haar rieten hoed had ze thuis laten liggen. Haar ogen kneep ze een beetje dicht, nu leken haar wangen nog molliger. Ik liet haar het kwartje in de verrassingsautomaat gooien. Olga had ons lot in haar handen. Samen keken we naar de vuilwitte kogel die uit de automaat gerold kwam. Het zag eruit als een soort reptielenei. Olga vouwde haar handen om de kogel alsof het een pasgeboren kuikentje was.
“Ogen dicht!”, zei ze en beiden knepen we onze ogen stijf dicht. Ik hoorde het doffe geluid van het plastic eitje dat in twee helften brak. We keken naar elkaar en toen naar het eitje. Er zat een vleeskleurig drillerig salamandertje in met een waggelkop en grote zwarte treurige ogen. Olga keek naar het groene geval in haar handen en toen naar mij. Ze had diezelfde grote opengesperde ogen als die keer toen ze hijgend thuiskwam nadat een dronken Engelsman haar tasje had proberen te stelen.
“Wat betekent dit?”
Haar ogen stonden bol van tranen. Ik legde een hand op haar schouder. Wat wilde ze nou horen, dat een groen glibberig salamandertje betekende dat dat smerig loeder van een moeder van haar gelijk had? Dat ik haar in mijn onzekere kunstenaarsbestaan toch nooit gelukkig kon maken?
“Wat als we dat vieze beestje nou eens ongemerkt aan het haakje van een visser slaan. Dan gaan we een paar meter verder achteloos in het gras liggen. Lachen hoor, haalt hij die hengel uit water zit er ineens zo'n gore salamander aan!”
Ze vertrok geen spier. Ik zag hoe ongemakkelijk ze met dat glibberig beestje in haar handen stond. Toen het tot haar doordrong dat ze hem nog steeds in haar handen droeg, bedacht ze zich niet nog een ogenblik. Ze draaide met haar hiel een kuiltje in het zand en liet hem daarin vallen. Toen schoof ze het zand erover en zette haar voet erop.

maandag 8 maart 2010

Huismus

Mijn huisgenootje is een Duitse huismus met wie ik onder valse voorwendselen samenwoon. Zie, ik wilde de kamer die zij aanbood en zij wilde huiselijke gezelligheid. Ik denk dat ik in het afgelopen haf jaar twee avonden thuis was. Geen daarvan bevatte een uitnodiging van mijn kant om gezellig huiselijk te doen. Het Duitse huismusje sluit zo nu en dan de voordeur af zonder de sleutel daarbij uit het slot te halen. Dat resulteert er dan in dat ik de algemene deur niet in kan, waar zich de keuken en badkamer (1m2) bevindt. Het is woensdagnacht, na vieren, als ik strompelend de benedenverdieping binnenkom. Door mijn aderen stroomt wijn, bier en gore whisky. De stoffige, afgebladderde trappen naar de algemene deur kraken hard onder mijn pumps. Ik moet hoognodig naar de wc.
“Kut, kut, kut”. Wat een schijtwijf is het toch.
Omdat huismuis morgenochtend tentamen heeft en een slechte nachtrust van haar een onmogelijke feeks maakt, besluit ik niet tegen de deur aan te trappen. Als ik nou gewoon probeer te slapen, kan ik het misschien wel inhouden. Maar in welke positie ik ook lig, mijn blaas blijft kietelen. Hoe vaak ik mijn bekken ook intrek, geen blaasoefening is opgewassen tegen de zeurende drang om die straal ergens op te richten. Ik heb de keuze tussen een bloempot en een glas met een bodempje jus en drijvende schimmel. Die bloempot wordt vast een zooitje, dan moet die plant er weer uit, heb ik die aarde in mijn kamer rondslingeren. Ik hoop dat alles in het kleine glas past. Ik hurk boven mijn bed, de onderkant van mijn nachtjapon in mijn mond. De straal is ongecontroleerd en geel van de drank. Ik val in slaap aan de muurkant van mijn bed, ver weg van de urinevlekken, terwijl het glas dampende pis op mijn bureautje staat.
De dag erna komt huismus al vroeg terug van haar tentamen. Ik ben net klaar met de afwas, het staat nog in het afdruiprekje in de keuken. Ze duikt de koelkast in, pakt haar Duitse druivensap en reikt haar arm uit naar het afdruiprek. Mijn rechterhand klemt om een theedoek, de linker maakt heel even een schijnbeweging. Dan besluit ook de linkerhand dat het dan maar zo moet zijn. Ze slokt gretig haar sap weg.
“Und, wie gehts?”, vraag ik met een gulle lach, terwijl ik naar de aangekoekte geeloranje bodem van het glas kijk.

Een zee van rust

De straat waarin ik woon is een berging van ongewenste geluiden. De enkelglazige ramen in mijn kamer verlammen niets van al het geruis. Nog voor de kerkklok acht uur slaat word ik gewekt door het zeurende geluid van een veegmachine in de straat. Het klinkt alsof iemand naast mijn bed driftig staat te stofzuigen. Knipperend oranjekleurig licht doorkruist het gezoem en het orkestje blijft mij in zijn geheel net zo lang vergezellen totdat ik klaarwakker ben. En blijf. Want de verdieping boven mijn kamer wordt verbouwd. Geheel ongevraagd staat er een gele, ijzeren trap tegen mijn huis aangeplant. Werkmannen spreken in een soort morsetaal, ik hoor alleen hee- en hoo-tonen uitkomen boven het geluid van een brommende vrachtwagen en doffe klappen van stroken vloerbedekking en planken die een verdieping naar beneden gegooid worden.

Mijn buurtbewoners lozen hun afval, schijnbaar ongehinderd door de prominent aanwezige letters ‘restafval’, naar believen naast de container. Als ik thuis kom van werk zie ik sinaasappelschillen, beschimmeld brood, plastik frisdrankflessen, glazen potten met restjes erwten en wortelen, een babyzitje met opengereten stof waar vergeeld schuim uitsteekt, een lege ton wasmiddel en een Kruidvatkrantje. De weeïge geur van rot fruit gaat gepaard met het gorgonisch gekrijs van een kolonie meeuwen en reigers. Niet de minste meeuwen hoor. Ik verdenk die verdomde zilvermeeuwen er nog steeds van hun grote broers de Geelpoot-meeuwen zo nu en dan op te trommelen om mijn trottoir te bevolken. Met een blik die ergens tussen arrogantie en sulligheid zit, kijkt een meeuw mij aan terwijl hij een preistengel in zijn bek houdt. Om de vogel heen rinkelen blikjes in de richting van de glazen potten. Ik stoot mijn teen tegen de gele trap die tegen mijn huis staat.

Ik schuif de gordijnen in mijn kamer opzij en scan de straat: Achmet Sobucovalli u reparatie, mijn zorg; Bollywood filmverhuur; wasserette & belhuis; vishandel Gibraltar; Café de Zon. Dat Café is dag en nacht geopend. In de zomer zitten de stamgasten; een mix van blanke senioren en jonge Caribische vrouwen in badstof huispakken, buiten op campingbankjes.
Nu hangt een groepje jochies met ronkende scootertjes en zwarte jacks die gloren in het licht van de lantaarns voor de ingang. Een van hen loopt de wasserette annex belhuis in. Hij gaat geen wasje draaien. Misschien wil hij iemand bellen vanaf een buitenlijn. Links van de ingang, voor het raam waarboven een wit snackbarachtig bord hangt met een sticker van een zon erop en in blauwe letters Café de Zon staat, zie ik twee schimmen. De ene schim maakt handgebaren naar de andere schim, die zijn handen balt en in een provocerende houding gaat staan. Die wordt slechts beantwoord met woorden. Woorden in een taal die ik niet machtig ben, maar niettemin begrijp ik de betekenis. De woorden klinken niet zangerig, maar dreigend, afgestompt en ruw. Een derde schim komt het de Zon uitgestormd met een biertje in zijn hand en probeert de boel te sussen. Daar trekt het ruziënde stel niets van aan en zet het tieren onverminderd voort.

Ik klik het grijze doosje open en haal de geel met blauwe pluggen eruit. Met mijn duim en wijsvinger kneed ik er vorm in. Zo diep als ik kan prop ik de pluggen in mijn oren en het enige geluid wat ik nu nog hoor is het geluid dat ik vroeger hoorde als ik een schelp over mijn oor legde. Een zee van rust.

Hopeloos

Ik was al halverwege, voorbij Den-Bosch, toen hij sms-te. Hij was opeens ziek geworden.Of ik toch een andere keer kon komen. En het speet hem heel erg. Ik zat al anderhalf uur met knikkende knieën en een dikke brok in mijn keel van de spanning in een koude trein. Om zeven uur was ik opgestaan, mijn gezicht had ik flink opgemaakt, haren gestyled en een topje aangetrokken waarvan het label zei dat het lingerie was maar door mij niettemin als ultiem wapen der verleiding op dinsdagmiddag op de kast getrokken werd. Vastberaden om mijn treinreis naar Amsterdam voort te zetten sms-te ik terug dat ik al voorbij Utrecht was en dus echt niet meer terug kon naar Maastricht. Hij probeerde mij er nogmaals van te overtuigen dat ik maar beter een andere keer kon komen, maar ik had mijn zinnen al gezet om een dagje daten onder de wol.
De weg naar zijn appartement was een lijdensweg. Ik begon zo langzamerhand de neiging te krijgen mijzelf voor de kop te slaan. Amsterdam centraal was een doolhof op zich, de busreis uiterst ongemakkelijk door de buschauffeur die mij het ene na het andere oneerbare voorstel deed. Natuurlijk kon ik hem negeren en achterin de bus gaan zitten, maar hij liet mij gratis reizen en wist waar ik uit moest stappen. Ik stapte de bus uit met een gevoel alsof zojuist ontwaakte na een slechte one-night-stand. Met een kater. De straffe wind sloeg in mijn gezicht, ik kruiste velden over waaraan flatjes lagen die allemaal exact hetzelfde uitzagen.
In de lift van het derde complex toefte ik snel nog wat poeder op mijn jukbeenderen, en verwisselde ik mijn ballerina’s voor een paar torenhoge hakken. Mijn hart klopte zo snel dat ik niet wist of ik wel iets uit zou kunnen brengen als hij de deur zou openen. De melkglazen deur ging open en de schim erachter kreeg gestalte. Maar ik zag niks van de jongen die op wintersport mijn hart sneller liet kloppen. Hij was de beslissende factor in mijn doodgebloede relatie, hij maakt mij aan het lachen als er niets te lachen viel. Hij reageerde niet zoals in mijn gedachten. Hij tilde me niet op, draaide me niet in het rond en zoende me niet als nooit te voren.
“Kom binnen”, zei hij kortaf, en verdween de slaapkamer in. Daar rook het naar ongewassen sportsokken. Een uitklapbed stond middenin de kamer en een oranje met bruine deken bedekte hem tot onder zijn neus. Het geheel zag er mistroostig uit. Ik ging naast hem liggen, op mijn zij. Zo kon mijn decolleté hem toch onmogelijk ontgaan? Hij had er geen oog voor. Het enige dat hij kon uitbrengen was dat hij zich zo ontzettend slecht voelde. Ik probeerde een zoen te ontlokken. Mijn gezicht hing ik boven de zijne. De adem die toen uit zijn mond ontsnapte dreef mij onmiddellijk weg. Hij rook naar honger, kool en zure sinaasappelsap. Nu begon ik mij echt af te vragen hoe hopeloos ik was. Ik had er op aangedrongen om de date door te zetten, terwijl hij nog te ziek was om te praten. Toen zei hij opeens:
“Tot hoe laat blijf je, want mijn vriendin komt straks nog even wat fruit brengen”. Ik dacht even dat mijn gehoor mij in de steek liet. Hij keek me aan als een uil. Ik raapte mijn spullen bij elkaar en haastig verliet ik het appartement en hem. Voor altijd.

"Ik ruik het bier"

“Een jongen, blakend van gezondheid met een rode gloed over zijn wangen, staart uit het raam.Hij tikt ongeduldig met zijn vingers op tafel. Tobt hij ergens over? Hij oogt niet als een jongen die ’s nachts in bed nog ligt te woelen. Hij zit niet recht voor zich uit, maar leunt achterover terwijl hij zijn benen gekruist langs een tafelpoot laat rusten. Zorgeloos kijkt hij zijn toekomst tegemoet. Ik maak mij ook geen zorgen over hem. Deze jongen komt er wel. Ik denk dat hij gisteren tot laat heeft zitten borrelen op de sociëteit. Nu zit hij hier en kijkt fier over zijn neus de diepte in. Op zoek naar die ene openingszin die zijn verhaal tot een succes maakt. De pen ligt al voor hem klaar.”

Drieëntwintig studenten zitten ongemakkelijk tegenover elkaar en nemen om de beurt een lichaamsstand aan. Het is een vreemde gewaarwording. Ik hoor alleen de suizende auto’s op straat en de zeurende ventilatie die van boven in mijn nek ademt. Mijn model neemt een pose aan en probeert krampachtig zijn gezicht in de plooi te houden. Hij kijkt als een kind dat verstoppertje speelt en met ingehouden adem achter een gordijn verscholen zit. Alleen duurt dit geen honderd tellen maar tien minuten.

Hoe kan ik dit stilstaand beeld in godsnaam tot leven brengen in taal? Mijn zintuigen laten me in de steek. Ik hoor, proef, voel en ruik niets. Waarom hoor je mensen toch altijd zeggen dat ze wel een boek kunnen schrijven over wat ze nu toch weer gezien hebben. Waarom geen tekening of schilderij maken? Je ziet immers iets voor je neus gebeuren, en toch is de neiging om het in letters te vertalen overheersend.

Ik isoleer mij van de achtergrondruis en zoom in op mijn model. Wie is hij, waar was hij vannacht? Ik geef mijn zintuigen de kost en ineens proef ik schuim, citroen en witbier. Een smetteloos wit hemd weerkaatst de felle blauwe lichten die de dansvloer verlichten. Eveline -vaste scharrel- zegt met een schorre stem tegen mijn model dat hij naar sigaretten ruikt. Dan pakt ze zijn hand en vraagt of ze bij hem mag blijven vannacht. Ik zie hem denken; ‘dat verhaal komt morgen wel’, en ze verdwijnen in het donker. Ik laat mij omringen door de couleur locale in het portret en schrijf het tot leven.

Koffers vol vergetelheid

Ik zoek naar ‘De gedachte van de week’ in het Parool. Bij een artikel over gevonden voorwerpen op Schiphol stop ik met bladeren. Vijf keer per jaar worden deze gevonden voorwerpen geveild. Karren vol doodgebloede koffers gaan over in de hand van handelaren of door nieuwsgierigheid geprikkelde kopers. Tussen de natte handdoeken die de kofferruimtes vullen met een indringende geur van zeewater en vuile was is het altijd zoeken naar een juweeltje. Een urn met as, rolstoelen, een bril met glazen zo dik als jampotten en zelfs een koffer vol met geld is ontsnapt aan oplettendheid.

Toen ik een paar jaar geleden na een maand vakantie in Indonesië landde in Düsseldorf, kwam mijn bagage niet aan. Daar stond ik dan, na een uur verwachtingsvol naar de lopende band gekeken te hebben. De schilderijen die een oom, een beroemd kunstenaar, aan mijn tante en oom gaf ter ere van hun huwelijk en die zij vervolgens aan mij cadeau deden, de zilveren wajangpop die ik kocht in het dorpje waar vechthanen gehouden werden en een rokerige kroepoekfabriek het ritme van de dag bepaalde, de tekeningen van mijn nichtjes. Terwijl ik de tranen van mijn vermissingformulier veegde besefte ik hoe beladen bagage is.

Ik probeer de eigenaar van de bril voor mij te zien. De man met glazen in zijn montuur zo dik als jampotten komt aan op Schiphol. Op het toilet neemt hij zijn bril heel even af voor een koude plens water in zijn gezicht. Hij dept zijn rimpelige gelaat droog en loopt weg. Maar zijn bril, die moet nog op de wasbak liggen. Hij spitst zijn oren en hoort het druppelen van een kraan. Op de tast zoekt hij tevergeefs naar de bril. Hij gaat af op het geluid van de schetterende mensenmassa. De hal met mensen oogt als een foto, geschoten met lange sluitertijd. Net als hij een voorbijganger om hulp wil vragen bedenkt hij dat hij niet meer weet waar de bril ligt. Zijn gezicht loopt rood aan van woede en een unheimisch gevoel overmant hem. De nare bijwerkingen van het ouder worden beginnen zich langzaam af te tekenen, en hij stelt zichzelf de onvermijdelijke vraag: word ik dement?

Misschien was de bril slechts een reserve-exemplaar. Niet in mijn fantasie, want daar krijgen bijzondere verhalen gestalte. En misschien ligt de gedachte van volgende week wel op de stapel oud papier. Snel red ik de krant van gisteren, voor hij in vergetelheid raakt.

Een ode aan Tijl

In zijn Pogingen tot Humor doet docent Tijl Rood uit de doeken hoe hij zijn vriendin in 116 seconden bezwangerde en dat hij de eikel na elk toiletbezoek even droog dept met wat wc-papier. In een van de werkopdrachten hekelt een student deze intieme uitspraken. Daar zit hij dan, in zijn vertrouwde felblauwe skinnyjeans, kortgekapte rossige haar en een sullig kopje espresso. Met het oog op de reële kans dat hij het in het vervolg uit zijn hoofd laat dit soort gevoeligheden tentoon te spreiden, besluit ook ik een brief aan Tijl te schrijven. Een ontboezeming van mijn eigen toiletescapades. Als een soort ode aan zijn openheid en het incasseren van de klappen van de valse student met een glimlach.

Woensdagnacht. Het is al na vieren. Door mijn aderen stromen wijn, bier en gore whisky. De stoffige, afgebladderde trappen kraken hard onder mijn pumps. Ik moet hoognodig mijn blaas legen. Mijn Duitse huisgenote, of ‘Das Luder’, heeft de tussendeur naar de badkamer en keuken weer eens van de binnenkant afgesloten. Omdat een slechte nachtrust van Das Luder een onmogelijke feeks maakt, besluit ik niet tegen de deur aan te trappen of haar hardop te vervloeken. Als ik nou gewoon probeer te slapen, kan ik het misschien wel inhouden. Maar in welke positie ik mij ook manoeuvreer, mijn blaas blijft kietelen. Hoe vaak ik mijn bekken ook intrek, geen blaasoefening is opgewassen tegen de zeurende drang om die straal ergens op te richten. Ik heb de keuze tussen een bloempot en een glas met een bodempje jus en drijvende schimmel. Die bloempot wordt vast een zooitje, dan moet die plant er weer uit, heb ik die aarde in mijn kamer rondslingeren. Ik hurk boven mijn bed, de onderkant van mijn nachtjapon tussen mijn tanden geklemd. De straal is ongecontroleerd en geel van de drank. Ik val in slaap aan de muurkant van mijn bed, ver weg van de urinevlekken, terwijl het glas dampende pis op mijn bureautje staat.

De dag erna komt Das Luder al vroeg thuis. Ik ben net klaar met de afwas, het staat nog in het afdruiprekje. Ze duikt de koelkast in voor een pak druivensap en reikt haar arm uit naar het afdruiprek. Mijn rechterhand klemt om een theedoek, de linker maakt heel even een schijnbeweging. Dan besluit ook de linkerhand dat het dan maar zo moet zijn. Ze slokt gretig haar sap weg.

“Und, wie gehts?”, vraag ik met een gulle lach, terwijl ik naar de aangekoekte geeloranje bodem van het glas kijk.

Op de hoek van de straat

Ik ben op zoek naar: een onbekend persoon, een stuk zwerfvuil en een architectonisch detail. Op iedere hoek van de straat liggen verhalen, moet docente Anne-Wil Petterson gedacht hebben. Ik moet eerlijk bekennen, ik zag niet meteen de schoonheid van het gele vaatdoekje, dat ogenschijnlijk toevallig op de bagagedrager van een fiets terechtgekomen was. Maar wie uitsluit dat er een bijzondere geschiedenis achter schuilgaat ziet die schoonheid ook onmogelijk.

Misschien heeft een contactarme man die luistert naar de naam Josje dat doekje gisteren vakkundig achter op zijn fiets gespannen, het was toen het nog zo geel als een citroen en zo zacht als een opgeschud dekbed. Heeft hij misschien de openingen tussen de spijltjes willen dichten, als een soort mini trampoline met extra veerkracht en vezels om in te verdwalen? Hij zou naar het Oosterpark gefietst kunnen hebben. Daar, aan het oversteekbruggetje bij de grote plas had hij moeder eend en haar pasgeboren kroost opgewacht. Hij zou het laatste eendje in de rij op het beslissende moment, ‘The Decisive Moment’ (wanneer moeder eend bij het oversteken van het bruggetje haar kop van links naar rechts beweegt) opgepakt hebben en als een dief in de nacht het park uit verdwenen zijn. Het eendje in de gele trampoline en Josje. Thuis had hij alvast een nestje voor het diertje gemaakt. Het eendje zou hij elf noemen, refererend aan de positie in de rij, en elf zou telkens terugvliegen naar Josje.


'Gewapend met een notitieblok speur ik de Albert Heijn af'
Maar ik zie Josje niet en ook niemand die aan mijn verbeelding van de schuchtere dierenvriend kan voldoen. Gewapend met een notitieblok speur ik de Albert Heijn af naar potentiële hoofdpersonages in mijn verhaal. Rookworsten, ansjovis en ingeblikte tonijn in de rug, ogen op scherp. Ik noteer: vrouw, boblijn, bordeauxrood geverfd haar. Houdt van sinaasappels en kaasfondue. Ze loopt naar het tijdschriftenrek. Vurig hoop ik dat haar keuze valt op een vunzig blaadje. Ze gaat toch maar voor de tv-gids. Niet eens een boeketromannetje voor bij de kaasfondue. Ik zet een streep door mijn aantekeningen en verlaat teleurgesteld de supermarkt.

Een donker meisje met ingevlochten haar en een rugtasje met een burberry-achtig patroon bepaalt mijn zicht. Ze draagt haar boodschappentas samen met een vrouw die praat met een Jordanees accent en een kapsel heeft dat associaties oproept met een dood struikgewas. Op de hoek van de staat de fiets van daarnet nog.

“Bennik toch nog vergeten van die viese gele doekkies te kopen, Kesha.” Mijn hart maakt een sprongetje. De Jordanese en Josje. Josje voor wie het doekje het begin van een leven met zijn soulmate betekende. En de Jordanese die de doekjes gebruikt om Josje’s kamer drie keer per week halfslachtig te poetsen waarna ze vervloekte krengen in de prullenbak smijt. Misschien kan ik haar struikgewas met al zijn complexe constructies dan als architectonisch detail inzetten.

maandag 8 februari 2010

Schrijven is schrappen

Anne-Wil Petterson ziet eruit als een draconische schooljuffrouw. Ze zit in de schoolbank alsof iemand een latje langs haar rug houdt. Ze heeft een A5 schrijfblokje voor zich liggen en met beiden handen houdt ze een pen vast. Ze draagt een donkerblauw wollen vest en platte zwarte schoentjes, die precies evenredig zij aan zij staan.

Ik zit nog maar amper, als ze de onrustbarende mededelingen uitspreekt.
'Telefoons uit en in de tas graag. En wie de drang voelt met zijn of haar buurvrouw te overleggen wordt vriendelijk verzocht elders in het gebouw plaats te nemen.’ Dan bedenkt docente Anne-Wil Petterson dat het raam achter mij open moet staan. Niets mag ons concentratievermogen belemmeren. ‘Heeft iemand hier problemen mee?’Ze scant indringend onze gezichten.Ik voel een rilling over mijn rug en terwijl ik naar de overeind staande haartjes op mijn arm kijk, schud ik ontkennend mijn hoofd.

Persoonlijke bronnen verkennen. Daar gaat het Petterson om. De eerste opdracht is meteen een schot in de roos. Ze wil dat de studenten tot in de finesses beschrijven hoe zij een bepaalde maaltijd ervoeren toen zij een jaar of zeven, acht waren en thuis woonden. Dit is per definitie al erg persoonlijk, want niet ieder kind is thuis opgegroeid.

‘Laat nooit iets weg omdat je niet wilt dat een ander het leest’, drukt Petterson ons op het hart. ‘Je mag er wel voor kiezen om je verhaal niet voor te lezen. Maar nooit andersom.’Haar belerende toon krijgt prompt een nieuwe lading. Ik voel mij beschermd, alsof zij met een metalen schild voor mij gaat staan als iemand vraagt: ‘Hoe was jouw jeugd?’ De straffe wind in mijn rug tempert mijn abrupt opzette hoofdpijn. Ik koester de afwezigheid van mijn mobiele verleidingen en de geïsoleerdheid. Niemand die op mijn blaadje meekijkt en als een onzekere tienjarige vist naar mijn verhaaltje.

Ik denk aan Hugo Borst, Jan Wolkers en Joost Zwagerman. Aan hoe ik benijd dat zij zo onbesuisd openhartig kunnen zijn. Een bevrijdend gevoel neemt mijn pen over en ik doe uitvoerig uit de doeken hoe ik die specifieke maaltijd: aardappelen met spinazie en een kotelet, ervoer. We lezen allemaal ons verhaal voor. Als ik aan de beurt ben voel ik een brok in mijn keel ter grootte van een appel. Kortademig lees ik mijn verhaal voor. Stiekem laat ik toch het een en ander weg. Schrijven is ten slotte schrappen.