Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen

zaterdag 21 mei 2011

Een heimelijk stadsparadijs


Een rookwolk speelt kiekeboe met de bamboeschutting achter de loods. Het is half twee ’s nachts en ik ben op een technofeest, vanwaar die rook? Ik loop om de loods heen en schuif de bamboe opzij. Een barbecue vol grijze reuze gamba’s, lamskoteletten en Duitse braadworsten wordt zorgvuldig in de gaten gehouden door een Rastafari in een shirt met psychedelische opdruk. Hij legt zijn jointje op een braderiekassaatje, schudt mijn hand en vraagt met een accent dat goed bij hem past of ik garnalen lust.

Clayton spreekt zijn publiek; jonge horecamensen die gewoonlijk op dit tijdstip bierspellen spelen, monter toe. Hij vertelt dat hij en negen anderen in het schoolgebouw naast de loods wonen. Ze betalen geen huur, hebben een zelfgebouwde sauna, piano, expositieruimte en iedereen houdt alles schoon. Geduldig draait hij de gamba’s om. Hij voelt zichtbaar geen enkele drang om het grillproces te versnellen, mist de mij zo bekende drift om hardhandig het vocht uit zeevruchten te slaan met een ijzeren schuimspaan. Ik probeer de balans te vinden tussen ‘mijn ongebreidelde enthousiasme uiten’ en ‘mezelf in toom houden’. Het voelt een beetje als die keer in Artis toen er een stokstaartje Purple Rain voor me begon te fluiten. Van pure gelukzaligheid wil je het liefste de amandelen uit je keel schreeuwen, maar de vrees is te groot dat zulks averechts werkt en je je onderwerp van fascinatie afschrikt.

Als de zon opkomt verruil ik de techno even voor de stille waterkant. Even verderop rolt Clayton nog een joint, raast een vriendinnetje voorbij op skates, een marinier mummificeert zichzelf in een Ajax-vlag en een meisje met een motorslot om haar nek gedrapeerd dartelt in het rond.
De lucht doet mij aan Claytons shirt denken. Oranje met rode sproetjes, doorkruist met goudgele streken. Ik besef dat er dadelijk einde komt aan dit korte interbellum waarin ieders bezit gemeengoed was en gelatenheid zegevierde. Ik moet weer naar de overkant, waar een biertje twee keer zo veel kost, mijn haarlak niet mee de club in mag, rokers weer zwakke sujetten zijn en zeevruchten gefrituurd zijn en in een Macdonalds verpakking zitten.

Ik bevries het uitzicht en besluit nog heel even binnen te dansen voor dat kleine stukje onontdekt regeringloos paradijs dat Amsterdam nog herbergt.



maandag 25 april 2011

Veilig in de club

De rokersruimte is gevuld met goedgeluimde twintigers. Het is hier niet moeilijk om een gesprek aan te knopen. Ik ga zitten op een stapelstoel van plastic, zo een die je vroeger in de schoolkantine veel zag. Het is de laatste onbezette stoel en ik ben niet de enige die voornemens is er op te vlijen.

Sam is ook goedgemutst dus ik mag zitten. We besluiten het zitvlak te delen. Net als ik heeft Sam sterk de behoefte om te praten. Over de mogelijkheid om er buitengewoon uit te zien in H&M kleding, over de overlap tussen de studies Werktuigbouwkunde en Rechten (nihil), over de hang naar de tijd dat keuzes nog voor je gemaakt werden, over onze held Hans Boutellier, over de Veiligheidsmaatschappij en over vriendschap.

Want wat wij voelen, te midden van al het rookgeweld en flarden van opgetogen gesprekken, zouden we op dat moment het best kunnen omschrijven als ‘de kiem van een vriendschap’. We voegen elkaar toe op vriendenplatform Facebook en besluiten de muziek op te zoeken. De techno manoeuvreert mij in een soort eenmanspolonaise, een houding die om mij heen veelvuldig wordt aangenomen. Sam en ik bevestigen nogmaals hoe fijn het is om mensen te leren kennen met wie je veel gemeen blijkt te hebben.

De twaalf uren die volgen heb ik nog talloze aangename gesprekken. Brownies worden gedeeld, evenals sigaretten, flesjes bier, deodorant. We bekommeren ons om elkaar en zeggen dingen als: “Ik ga je straks missen”. Zondagavond vraag ik mij af of een vriendschap op deze manier zou kunnen ontstaan. Beklonken in het umfeld van snoeiharde muziek en dito versnaperingen. Waren wij niet gewoon verliefd op die plotseling opdoemende wederkerige affectie? Wil Derkse zegt in het boek Over vriendschap (dat ik kreeg van een goede vriendin); “Vriendschap is een zone zonder gevaar.” Als ik Sam nu tegen zou komen in het park zou ik hem misschien niets te vertellen hebben. Alle ingrediënten die ervoor zorgden dat we ons die avond in de rokersruimte of in de danszaal veilig voelden ontbreken. We zouden opnieuw een safe haven moeten creëren. Maar we weten allebei: die avond, op dat moment; was alles oprecht.

donderdag 7 april 2011

Hergebruikt idealisme


Zaklampen scannen de stoepen. Een berg vuilniszakken voor een grote supermarkt trekt aandacht. De groep stevent erop af, het enthousiasme is goed voelbaar. Zo voelde Sjakie zich dus in de chocoladefabriek. De vuilniszakken worden zorgvuldig van hun knoop ontdaan, zodat ze later weer dichtgemaakt kunnen worden. “We laten de boel meestal netter achter dan hoe we het aantroffen.”

Ik kijk naar de documentaire over Freegans, mensen die zich verzetten tegen de massaconsumptie en verspild eten uit vuilniszakken nuttigen. Een operazangeres toont fier haar buit: verpakte gesneden sla (eigenlijk houdt ze niet van verpakte sla, het heeft zo’n raar smaakje), bagels, olijfolie en een tijdschrift. De olijfolie is het juweeltje.

Na de film loop ik met een vriendin naar huis. Ze vertelt me over Eddie Vedder.
“We have a greed on which we agreed”. Ik vind het een mooie zin en thuis luisteren we verder. Ik denk aan de Freegans. Grote idealen komen ergens uit voort. Er werd gezegd dat velen van hen slachtoffer zijn geworden van het Amerikaanse kredietsysteem. Ze verloren hun baan, raakten hun huis kwijt en gingen op zoek naar alternatieven. Zo kwamen zij terecht bij ecologische gemeenschappen. Maar in hun ogen woedde ook iets anders. Iets dat veel dichter bij de mens staat dan idealisme. Hebzucht.

Een container vol weggegooide spullen van studenten. De Freegans staan er als geitjes aan het hek bij een kinderboerderij omheen. Ze voelen wat ik voel tijdens de uitverkoop, op een rommelmarkt of in een net ontdekte hippe winkel waar het ook nog eens uitverkoop is. Ogen scannen de spullen, je weet precies welk item jij gaat wilt. Als een havik ga je erop af.

Hebzucht is een zonde die nooit vervuld raakt. De secondelijm, bezem en de aardbeien uit de vuilnisbak belanden op de stapel andere overbodige spullen bij de zelfgeproclameerde utopist thuis. Hergebruik, inderdaad. Van de massaconsumptie. Dat wel.


zondag 30 januari 2011

De Limburgse herberg

Rechts van mij een vrouw met een kampsyndroom:
"Het ergste wat je kunt doen is je kinderen het recht ontzeggen om hun ouders te zien. Ik heb nooit afscheid kunnen nemen van.."
Links de helderziende jeugdvriend van mijn vader:
"En weet je wat ik toen zei? Ik zei vergeven kan ik, maar vergeten, vergeten nooit.."

Aan de andere kant van de kamer onderbreekt mijn vader de monologen:
"Shinta, heb je Tineke al ontmoet, van die dichtbundel? Tineke, Shinta schrijft ook.."
Ik vouw mijn handen om mijn oren. Mijn rug gloeit. In mijn hoofd voel ik steken en kloppingen, alsof er een orkest met trommels, trompetten en een gong losbarst. Ik excuseer mij. Snel loop ik naar het toilet en sluit mezelf op. Ik luister naar het zoemen in mijn oren en fantaseer dat ik voor altijd hier mag blijven, in het donker met niets meer dan het rustgevende gezoem om mij heen.

De realiteit is anders. Ik ben op mijn vaders verjaardag en dat betekent een huis vol mensen die ik grotendeels niet ken; alles van mij willen weten; een ontzettend interessant levensverhaal hebben of anderszins mijn vaders empathie gewekt hebben.

Er moet iemand naar het toilet.

Nukkig verlaat ik het toilet en ga aan de andere kant van de woonkamer zitten. Een Indonesische jongen genaamd Tarzan zit naast me. Ik probeer een flauw grapje, hij spreekt de taal niet goed genoeg om er om te kunnen lachen, ik heb geen zin om het in gebrekkig Indonesisch uit te leggen. Een Arabisch uitziende man heeft een foto-album meegenomen. Hij begint uit te leggen. Toen hij nog in Irak woonde maakte hij zelf aquariums. Hij was kunstenaar, verdiende veel geld. Nu kan dat niet meer, want hij moest vluchten vanwege zijn geloof. Het enige wat hem nog herinnert aan zijn leven daar zijn de foto's. Het zijn kitscherige aquariums, gevuld met miniatuurkerkjes, speelgoedauto's en schelpen. Ik spreek geen Irakees, hij spreekt niets anders dan Irakees maar maar we begrijpen elkaar.

Mijn ouderlijk huis is een soort herberg. In de zomer stond er fervent Hare Krishna-aanhanger op de stoep, in wit gewaad met blote voeten en gitaar bewapend. Soms slapen er backpackers die op doorreis zijn in de logeerkamer. Dan legt mijn vader handdoeken klaar en maakt mijn moeder een traditionele Indonesische maaltijd. Als klein meisje keek ik eens stiekem in de rugzak van een Duits meisje. Haar hele leven leek er in te zitten. Ik dacht: Ze heeft zo weinig maar eigenlijk is ze heel rijk.

Zo kijkt mijn vader vast naar mij. Laat haar nu maar balen, eigenlijk is ze heel rijk.

Ook te lezen op www.djbroadcast.nl



- Posted using BlogPress from my iPhone


maandag 8 november 2010

Yummie mummies don't jive

“Dude, how are you supposed to dance on this kind of music?”
“That's the beauty of it. You're free to decide on your own. No rules. Just let your body guide you.”
I'm confused. “Really, is there not some kind of Goa dancemoves manual?” My friend shakes his head. A rush runs through my vains. Is this freedom?

Girls in shredded leggings holding a cigarette to match their smudged mascara and a fish eye lens pointing at their 'I don't give a fuck what you think' faces. The lomography camera belongs to a guy whose curly pony is blocking his sight. He wears a retro-vintage-new age-hippie bag around his waist. The ensemble appears a bit uncomfortable. If I didn't know better I would ask them if they were okay. But the way their shoulders shock in their leather jackets, how unnatural their feet point to each other, their spastic hand gestures. I didn't end up in a collective bad trip: I'm at a hipster party.

Every subculture has their own dancing conventions. To discard those is like entering a wrong password. You're not a guido if you don't smell you upper lip, wear your sunglasses on the tip of your nose and knock on the floor with your fist until the beat apparantly transforms in an imaginary boxing ball which you then to kick the shit out of. You're probably considered an intruder when popping and locking at an informal reception in between out-of-the-box thinking flexmanagers.
A burlesque pin-up daggering in her pencil skirt would definately lose that rockabilly feel.

In the end everyone wants to belong to a group. You can try to follow the beat of the music all you like, if you don't move your body in the right way, you will feel as if you are at the wrong party. And it's part of the human conditioning. We need conventions. To know how to dance and how to walk the streets. Yummie-mummies, never-ever grannies, ganguro girls, homeboys. The only way to be free is to become a new hippie and listen to Goa. But off course you would have to dye your hair pink and play with a random fluorine piece of toy while dancing in the rain, then.

donderdag 9 september 2010

Blijf bij je biehtjah

Hij doet me denken aan iemand. Aan de man die altijd in het dorp voor de snackbar hing met zijn opgevoerde brommer. Op z'n voorwiel balanceren als een handjevol bakvissen dropsleutels kwam kopen. Het was zo iemand die op bouwjaar beoordeeld zeker geen jongen meer was, maar altijd zijn ID moest laten zien aan argwanende portieren.

Misschien dat dat het is. Dat ik zie wat hij niet ziet. Dat de spin-off van dit programma niet groter zal zijn dan een opstapje naar een nieuwe hang-out. Over een jaar zal hij voor de hippe strandtent in Den-Haag paraderen, een biehtjah wordt een prosecco, een wit Jack & Jones bloesje zal terloops onder een stapel Versaasjes worden geschoven. Maar zijn roem zal niet verder reiken dan het snaveltje van een pasgeboren kuiken uit een eierschaal.

Ook al steelt hij menig kijkershart met zijn bijzondere mimiek. Want Robert, of Jokertje luidt ieder woord in met een Lange-Jan rekbeweging en kijkt daarbij alsof hij net een slag met de punt van een natte theedoek op zijn wangen heeft gehad. En zijn ogen die dan schreeuwen: "Kom maar op, ik ken het hebben!"

Matthijs van Nieuwkerk sprak de realityster van Oh Oh Cherso gisteren in De Wereld Draait Door per abuis aan als Sterretje. Je zag 'm ter plekke breken. Verward keek hij om zich heen. Zijn karakter was gebouwd rondom het gegeven dat hij de gekste was, de joker, hoe kon die cultuurgeilaard dat nou niet zien? Je zag de angst in zijn oogjes: "Ik sta volgende week weer voor de FEBO." Matthijs brak de vleugels van een pasgeboren kuiken. Hij zag de kracht van de underdog niet. Sterretje was het die hem imponeerde.

Ik wil Matthijs hiervoor bedanken. Af en toe moet zo een jochie gewoon gebroken worden. Voor die anderen is het al het laat. Jamai is weer dik, Marc-Marie Huijbregts zit in de jury van Popstars, Jaap chat met Joran, Susan Boyle loopt huilend weg bij een duet met Lou Reed, Jan Marijnissen zit bij Jensen op de bank. Van ondergewaardeerd tot overgeëxploiteerd.

Underdogs moet je klein houden.

link naar Dj Broadcast

woensdag 18 augustus 2010

Festivalkeuzestress

Ze worden omringd door een zweem van zeep en opiumparfum (die oude mannengeur). Er is geen mixtafel en geen koptelefoon. Wel zijn er alumineumkleurige kistjes gevuld met kleurrijke dubbel-cd's en fluwelen poetsdoekjes. De witte tuinstoelen lijken vastgeplakt aan hun paffige lijven. Er worden minitieuze armbewegingen gemaakt. Marco Borsato's Dromen zijn Bedrog is bijna afgelopen. Dan Hitzone 19. De Vengaboys met Boom Boom Boom Boom. Dat zweept het publiek wel op.




Dit is niet een sfeerimpressie van het vijfjarig jubileum van de VVM, de Vereniging voor Verlegen Mensen. Het betreft hier ook niet de supriseparty van een Vaalse fanfaresecretaris die 52 is geworden. Nee, het is vrijdagavond en ik ben op Solar Weekend in Roermond.

Ik benijd het duo in de donkere legertent naast de campingdisco. De twee zien er uit alsof hun enige zorg is om op tijd de cd's te verwisselen. Ik moet mij bezig houden met vragen als: heeft iedereen in mijn gezelschap het naar zijn zin? Wanneer treedt Nobody Beats The Drum op? Is dat podium Mainstage of House? Zal ik vanavond toch maar nuchter blijven? Waar is nu toch die timetable? Zal ik nu mijn jasje uit de tent gaan halen of duurt dat te lang en mis ik dan...

Keuzevrijheid was tot de Ontzuiling niet vanzelfsprekend. Je hoefde niet lang na te denken over welke krant je las en met wie je 'tot de dood ons scheidt' de rest van je leven aardappelen at. Voor mij zit een vrouw, laat ik haar Bep noemen, die zich weinig kan voorstellen van mijn voortdurende keuzekwelling. Bep zal Jan ontmoet hebben in 't Cafe in Guttekoven. Nu zitten ze hier, dertig jaar later. Keuzes zijn er nauwelijks meer gemaakt. Ja, in de jaren 90 stapten ze eens over op die blitse cd's. Jan verloor nog wat meer haar en besloot tot een schuine lok over zijn hoofd. En Bep schafte een mobiele telefoon aan. Voor de veiligheid.

Net als het leven stellen festivals je constant voor een keuze. Je ziet bezoekers vertwijfeld om zich heen (Waar is iedereen? Welke Dixie is het schoonst?) of naar hun tijdschema kijken. Beveiligers kijken nauwlettend naar voorhoofden. Nerveuze pillensmokkelaars. Fakkelbrigade weet niet of ze ook die oude Opgezwolle-shit moeten doen. En ik? Ik gooi mijn tijdschema dit jaar weg. Als je niet weet welke opties er zijn heb je er maar één: het toeval. En onbegrensde vrijheid.

Ik voel opeens sterk de behoefte om The Soca Boys op te zetten. Van uit de tijd dat ik nog niet hoefde te kiezen.


- Posted using BlogPress from my iPhone

donderdag 15 juli 2010

Op de boulevard

Het is Bert van Marwijks verlangen naar zijn gezin in Meerssen. Armin van Buurens adrenalinekick. Mark van Bommels verbluffing. De spanning van de schipper. Het is het onzichtbare achter het zichtbare.

Dinsdagochtend. Bert van Marwijk wordt niet lekker wakker. De teleurstelling ligt nog steeds als een zwaar dekbed over hem heen. Hij wil naar huis. Waar de abrikozenvlaai en de kleinkinderen op hem wachten. Maar eerst dit. Hij maakt zich op voor de middag. Voor de spiegel schudt hij nog even zijn kaken los. Lachen. Heel het toernooi kwam hij weg met een sporadische gelukskreet. Nauwelijks veerde hij op van de bank. Vandaag zal hij handen schudden met Hare Majesteit en hossen op housemuziek. Als dat maar goed gaat. Bert klopt op zijn borst. Als een echte ridder.

De schipper heeft een voorhoofd als een natte spons. Hij kijkt naar de jongens op zijn boot. Naar Ibrahim Affelay die wild de oranjefans filmt. Die raakt dat ding zo nog kwijt, verzucht hij. Johnny Heitinga en Mark van Bommel trekken aan shirtjes en proosten wang aan wang. Neuzen naar de grachten, dan weer naar de camera's. Ze zien er uitgelaten en opgelucht uit. De schipper heeft geen tijd om ervan te genieten. De mensen leunen niet voor hem over de bruggen. Hij is onzichtbaar. "Bukken!" buldert hij tegen de springende jongens. Lage bruggetjes, zwemmers uit het niets, de supportersbootjes die tegen de boeg rammen. Hij veegt zijn oranje sjaal over zijn voorhoofd. De wolk van rook en confetti belemmert zijn zicht. Straks de schade vaststellen. Straks.

Net zoals de agenten op de zeventien begeleidende politiebootjes ben ook ik onzichbaar. Als de pruttelende woede van de damschreeuwer. Of de fan die bij het spandoek hoort ('Webb, go to Robben Island'). Een evenement bestaat bij de gratie van onzichtbaarheid. Het oranje is ontleedbaar tot honderdduizenden uitdossingen. Hawaiaanse kransen, vlaggetjes, lippenstift, tuinbroeken, pruiken, badjassen. Ze staan slechts ten dienste van de oranje colonne waar Mark minutenlang vol ongeloof naar kijkt. Even negeert hij de arm van Johnny. Meeproosten doet hij wel. Maar zonder naar zijn biertje te kijken. Je ziet het daar gebeuren. Zijn teleurstelling. En die van Bert. En die van de andere mannen op het podium verdwijnt als sneeuw voor de oneindig ver strekkende oranje zon.

En ik sta op de Boulevard of Broken Dreams. Een meter van het hek. Tussen dorstige keeltjes, bezwete ruggen, kapotgetrapte pletterpetten, in beesies gestoken paardenstaarten en blikken Hollandia bier. En ik zing Bloed, Zweet en Tranen. Achter mijn zonnebril gaat een traan schuil. Maar het maakt niet uit. Want ik ben er niet. Ik ben onzichtbaar.

link naar het artikel op DJ Broadcast.nl

maandag 28 juni 2010

Ruggengraatloos

Studeren in het weekend en een bijbaantje in de horeca. Het klinkt niet bepaald soepel in één zin. Bekt niet lekker. Al acht jaar denk ik dat ik het kan. Op vrijdag een sloof voor en op zaterdag aan de bak voor mijn deadlines. Een mooie gedachte, maar een met zonnebloemen overdekte Siberische hoogvlakte is een waarschijnlijker scenario.

Als ik het restaurant binnenloop is daar al de eerste beproeving. Test: heb ik ruggengraat? Ik scan de zaal. Wie is er aan het werk? Een, twee, drie. Jezus, vier jongens van het dispuut en mijn favoriete manager. Ik geef me al bijna gewonnen. “Lampies! Ga je mee lurken vanavond?” Ik wil uitgebreid beargumenteren dat het helaas niets wordt want ik heb maandag hééél belangrijke deadlines en ik moet ook nog een proefcolumn schrijven voor..

Mijn antwoord wordt niet afgewacht. Ik kijk beteuterd naar de rug van mijn collega en vraag mij af hoeveel toeristen vandaag nog gaan vragen naar de gebarentaal op onze shirts. En hoe vaak ik dan moet vertellen dat het de naam van het restaurant is. En dat Kantjil dwerggeit betekent. “Kijk, daar staat het geitje”, en dan wijs ik naar een abstract houten beeld.

Nadat ik zes uur lang met een kunstmatige, ik bedoel welgemeende, glimlach dienbladen van een vierkante meter heb gesleept verdien ik een witbiertje. Met citroen. “Wil jij mij alsjeblieft om twee uur naar huis slepen”, smeek ik mijn collegaatje die ook héééél belangrijke deadlines heeft. Ze knijpt in mijn hand en knikt.

Alles is een roes tot we een Chinese karaokebar uit worden gezet . Zo een waar het muziekrepertoire bestaat uit zoetsappige r&b met nagespeelde clips en ondertitels waarin ‘r’-en steeds voor ‘l’-en worden aangezien. Het Chinese barmeisje van daarnet draagt een te lichte huidkleurige panty. “Hoe lang zijn we hier binnen geweest?” Mijn collegaatje haalt haar schouders op. “We hebben allebei geen ruggengraat”, zegt ze en veegt iets stroperigs van haar mond.

donderdag 17 juni 2010

Geef me hoop

Na de rode kaart voor Bafana Bafana besluit ik niet langer getuige te willen zijn van deze pijnlijke ondergang. Ik zet m'n laptop aan en ga op zoek naar dé Hollandse WK-hit van 2010. Die blijkt ook dit jaar ver te zoeken.

Voetbal en muziek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als haring en ui. Maar wat drijft iedere voetbalfanaat met eenYouTube-account ertoe een lied te produceren? Het moet de hoop zijn dit jaar eens te kunnen scoren. Al die Oranjebaretten en sambaballen, die moeten ergens uit terugverdiend worden.

Ik vraag me af hoe zo'n lied tot stand komt. Eerst moet er een invalshoek bedacht worden. Dat is dit jaar een open deur. Bij Holland hoort de leeuw, en de leeuw doet denken aan safari. Safari: Zuid-Afrika. De videoclip van Laat die Leeuw niet in Sy hempie staan Nie bevat dan ook in Paint vrijgemaakte leeuwen, bavianen en struisvogels met bewegende zwarte balkjes voor de bek. Ze doen denken aan de censuurbalkjes in Wegmisbruikers. Alleen hebben ze nu een heel andere functie: uitbeelden dat er gezongen wordt. De achtergrond is wazig gemaakt zodat je de kinderen met Artis petjes op niet meer ziet.

De Gebroeders Ko kiezen voor een loflied aan de Vuvuzela-toeter. Triomfantelijk zingen ze "Je hoort 'm in heel Afrika" en voor de duidelijkheid wordt het meisjesteam van Slotervaart opgevoerd. Niemand die het verschil ziet tussen een Surinaamse en een Afrikaanse, toch? Het voelt alsof er ieder moment een zwart geschminkte vrouw met een botje door de neus en een toeter in d'r lip voorbij kan komen.

Er zijn ook zangers voor wie de brainstormsessie niet ophield bij de ontdekking dat 'Hakuna Matata' rijmt op 'WK'. Zij moeten gedacht hebben: laat ik eens googlen op 'Zuid-Afrikaanse hits'. En zo heeft het kunnen gebeuren dat het anti-apartheidslied Joanna, Give me Hope genadeloos getransformeerd is tot Oranje Geef ons Hoop, Oranje Geef ons Goals of Oranje Spring Omhoog. In het laatste geval is er zelfs een oranje leeuw die krampachtig Jumpstyle bewegingen uitvoert op een springkussen.

Ten slotte is het van levensbelang dat tekst en beeld op elkaar aansluiten. Een man kijkt vanonder zijn gebogen petje naar de camera en wijst naar een gigantische klok in zijn handen terwijl hij zingt "Hey, de wedstrijd gaat zo beginnen". 'Brullen' kan niet worden uitgesproken zonder de handen om de mond te vouwen en als het over 'onze eeuwige rivalen' gaat verschijnt dezelfde man opeens in een jodelpakje met een pul bier in zijn hand voor een Duitse vlag.

Ik hoop dat Nederland het dit jaar ver schopt want als het om WK-hits gaat hebben we al verloren.

Link naar DJ Broadcast





- Posted using BlogPress from my iPhone

maandag 8 maart 2010

Huismus

Mijn huisgenootje is een Duitse huismus met wie ik onder valse voorwendselen samenwoon. Zie, ik wilde de kamer die zij aanbood en zij wilde huiselijke gezelligheid. Ik denk dat ik in het afgelopen haf jaar twee avonden thuis was. Geen daarvan bevatte een uitnodiging van mijn kant om gezellig huiselijk te doen. Het Duitse huismusje sluit zo nu en dan de voordeur af zonder de sleutel daarbij uit het slot te halen. Dat resulteert er dan in dat ik de algemene deur niet in kan, waar zich de keuken en badkamer (1m2) bevindt. Het is woensdagnacht, na vieren, als ik strompelend de benedenverdieping binnenkom. Door mijn aderen stroomt wijn, bier en gore whisky. De stoffige, afgebladderde trappen naar de algemene deur kraken hard onder mijn pumps. Ik moet hoognodig naar de wc.
“Kut, kut, kut”. Wat een schijtwijf is het toch.
Omdat huismuis morgenochtend tentamen heeft en een slechte nachtrust van haar een onmogelijke feeks maakt, besluit ik niet tegen de deur aan te trappen. Als ik nou gewoon probeer te slapen, kan ik het misschien wel inhouden. Maar in welke positie ik ook lig, mijn blaas blijft kietelen. Hoe vaak ik mijn bekken ook intrek, geen blaasoefening is opgewassen tegen de zeurende drang om die straal ergens op te richten. Ik heb de keuze tussen een bloempot en een glas met een bodempje jus en drijvende schimmel. Die bloempot wordt vast een zooitje, dan moet die plant er weer uit, heb ik die aarde in mijn kamer rondslingeren. Ik hoop dat alles in het kleine glas past. Ik hurk boven mijn bed, de onderkant van mijn nachtjapon in mijn mond. De straal is ongecontroleerd en geel van de drank. Ik val in slaap aan de muurkant van mijn bed, ver weg van de urinevlekken, terwijl het glas dampende pis op mijn bureautje staat.
De dag erna komt huismus al vroeg terug van haar tentamen. Ik ben net klaar met de afwas, het staat nog in het afdruiprekje in de keuken. Ze duikt de koelkast in, pakt haar Duitse druivensap en reikt haar arm uit naar het afdruiprek. Mijn rechterhand klemt om een theedoek, de linker maakt heel even een schijnbeweging. Dan besluit ook de linkerhand dat het dan maar zo moet zijn. Ze slokt gretig haar sap weg.
“Und, wie gehts?”, vraag ik met een gulle lach, terwijl ik naar de aangekoekte geeloranje bodem van het glas kijk.

Laat ze maar stikken

Een lopende band waarop zakken geld worden gestort. Halverwege de band staan volgevreten aasgieren. Ze plukken de zakken weg en voorkomen zo dat er ook maar iets van al het geld het volk bereikt, dat aan het einde van de band verwachtingsvol staat te wachten. De cartoon in de Ugandese krant bewijst dat Afrikanen heel goed begrijpen dat de geldstroom uit de rijke Westerse landen als een druppel op een gloeiende plaat is.

Nederland mag zichzelf een schouderklopje geven. Uit een gelekt rapport van de Europese Commissie blijkt dat het als een van de weinige lidstaten de doelstelling heeft gehaald om in 2009 minimaal 0,7 procent van het bruto binnenlands product aan ontwikkelingshulp te besteden. Blijkens een onderzoek van de Algemene Rekenkamer krijgt Suriname het meest van de 4,3 miljard euro die Nederland jaarlijks reserveert voor ontwikkelingssamenwerking, namelijk 92.000 euro per 1.000 inwoners. Naast Suriname worden nog 39 andere landen door Nederland gespekt met het oog op ontwikkeling.

Zakken vullen
Meest gehoorde argument van pro-ontwikkelingshulp politici is dat westerse landen moeten boeten voor hun koloniale zonden. Maar dat is veel te kort door te bocht geredeneerd.Wij dragen juist bij aan zwarte bladzijdes in de geschiedenis die zich in de toekomst pas zal aftekenen. Nederland geeft geld rechtstreeks aan arme regeringen. Dit zou beter controleerbaar zijn door accountants en het gebruik van internationale handboeken die de geldstroom zouden reguleren. De wrange realiteit is evenwel dat deze zogenaamde ‘budgetsupport’ corruptie juist in de hand werkt. Er is in werkelijkheid geen moraalridder, geen rechtschapen accountant die de pen van de corrupte regeringsbeambte vasthoudt. De Wereldbank onderschrijft dat ook en bewijst zelfs dat een derde van het geld in de zakken van corrupte regimes verdwijnt. Wij steunen zo malafide machthebbers, die met hetzelfde geld als waarvoor Nederlandse linkse politici zichzelf op de schouder slaan, paleis na paleis bouwen. Sterker nog, Mugabe van Zimbabwe, Museveni van Oeganda en Kaliba van Congo: ze zijn producten van de westerse ontwikkelingssamenwerking.

Averechts effect
Maar dankzij ontwikkelingshulp krijgen kinderen in derde wereldlanden toch de kans om naar school te gaan? Op dat gegeven kan veel afgedongen worden. Het onderwijs is slecht en de kinderen leren er geen vak waarmee ze later de kost kunnen verdienen. De concentratie op academische vakken zorgt ervoor dat slechts een fractie van de kinderen erin slaagt school af te maken. Ook de wereldwijde inspanningen van projecten als waterpompen installeren in dorpen hebben nare bijwerkingen. De mensen in de dorpen worden gezonder door de water-voorzieningen, met als gevolg dat ook de bevolking groeit. Voedsel en medicatie neemt niet toe, waardoor kindersterfte stijgt en de levensverwachting laag blijft. Het geld dat aldus aan de grijpgrage handjes van de regering ontsnapt, wordt gepompt in projecten die niet-effectief blijken of alleen op korte termijn iets voor de bevolking kunnen betekenen.

Free money
De Zambiaanse econome Dambisa Moyo heeft gelijk. Regeringen krijgen gratis geld en beoordelingsteams die misbruik horen te melden geven geen moer. Donoren blijven de corrupte elites maar steunen, alsof ze investeren in een oude auto. Alleen blijft deze auto gebreken vertonen. Om gezichtsverlies te voorkomen en hun kiezers een goed gevoel te geven blijven westerse politici met gesloten ogen water naar de Afrikaanse zee dragen.

Moeten we alle ontwikkelingslanden waar corrupte regimes aan de macht zijn dan maar laten stikken? Minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking vindt van wel. Een strenge selectie in hulp ontvangende landen moet garanderen dat landen als Zimbabwe, waar de inflatie het hoger is dan waar ook ter wereld, niet hoeven rekenen op euro’s of dollars. Koenders wil het goed doen. Hij wil de onder de tafel geveegde waarheid aan het licht brengen. Wees gerust achterban, Nederland hanteert nu een zero-tolerance beleid tegenover corrupte regeringen. Dat de bevolking die onder de duim van die regeringen leven daarmee in de steek gelaten wordt is bijzaak. Laat de Zimbabwanen maar honderd dollar voor een brood neertellen. Nederland heeft z’n eigen sores, je weet wel: het omroepbestel enzo.

"Ik ruik het bier"

“Een jongen, blakend van gezondheid met een rode gloed over zijn wangen, staart uit het raam.Hij tikt ongeduldig met zijn vingers op tafel. Tobt hij ergens over? Hij oogt niet als een jongen die ’s nachts in bed nog ligt te woelen. Hij zit niet recht voor zich uit, maar leunt achterover terwijl hij zijn benen gekruist langs een tafelpoot laat rusten. Zorgeloos kijkt hij zijn toekomst tegemoet. Ik maak mij ook geen zorgen over hem. Deze jongen komt er wel. Ik denk dat hij gisteren tot laat heeft zitten borrelen op de sociëteit. Nu zit hij hier en kijkt fier over zijn neus de diepte in. Op zoek naar die ene openingszin die zijn verhaal tot een succes maakt. De pen ligt al voor hem klaar.”

Drieëntwintig studenten zitten ongemakkelijk tegenover elkaar en nemen om de beurt een lichaamsstand aan. Het is een vreemde gewaarwording. Ik hoor alleen de suizende auto’s op straat en de zeurende ventilatie die van boven in mijn nek ademt. Mijn model neemt een pose aan en probeert krampachtig zijn gezicht in de plooi te houden. Hij kijkt als een kind dat verstoppertje speelt en met ingehouden adem achter een gordijn verscholen zit. Alleen duurt dit geen honderd tellen maar tien minuten.

Hoe kan ik dit stilstaand beeld in godsnaam tot leven brengen in taal? Mijn zintuigen laten me in de steek. Ik hoor, proef, voel en ruik niets. Waarom hoor je mensen toch altijd zeggen dat ze wel een boek kunnen schrijven over wat ze nu toch weer gezien hebben. Waarom geen tekening of schilderij maken? Je ziet immers iets voor je neus gebeuren, en toch is de neiging om het in letters te vertalen overheersend.

Ik isoleer mij van de achtergrondruis en zoom in op mijn model. Wie is hij, waar was hij vannacht? Ik geef mijn zintuigen de kost en ineens proef ik schuim, citroen en witbier. Een smetteloos wit hemd weerkaatst de felle blauwe lichten die de dansvloer verlichten. Eveline -vaste scharrel- zegt met een schorre stem tegen mijn model dat hij naar sigaretten ruikt. Dan pakt ze zijn hand en vraagt of ze bij hem mag blijven vannacht. Ik zie hem denken; ‘dat verhaal komt morgen wel’, en ze verdwijnen in het donker. Ik laat mij omringen door de couleur locale in het portret en schrijf het tot leven.

Koffers vol vergetelheid

Ik zoek naar ‘De gedachte van de week’ in het Parool. Bij een artikel over gevonden voorwerpen op Schiphol stop ik met bladeren. Vijf keer per jaar worden deze gevonden voorwerpen geveild. Karren vol doodgebloede koffers gaan over in de hand van handelaren of door nieuwsgierigheid geprikkelde kopers. Tussen de natte handdoeken die de kofferruimtes vullen met een indringende geur van zeewater en vuile was is het altijd zoeken naar een juweeltje. Een urn met as, rolstoelen, een bril met glazen zo dik als jampotten en zelfs een koffer vol met geld is ontsnapt aan oplettendheid.

Toen ik een paar jaar geleden na een maand vakantie in Indonesië landde in Düsseldorf, kwam mijn bagage niet aan. Daar stond ik dan, na een uur verwachtingsvol naar de lopende band gekeken te hebben. De schilderijen die een oom, een beroemd kunstenaar, aan mijn tante en oom gaf ter ere van hun huwelijk en die zij vervolgens aan mij cadeau deden, de zilveren wajangpop die ik kocht in het dorpje waar vechthanen gehouden werden en een rokerige kroepoekfabriek het ritme van de dag bepaalde, de tekeningen van mijn nichtjes. Terwijl ik de tranen van mijn vermissingformulier veegde besefte ik hoe beladen bagage is.

Ik probeer de eigenaar van de bril voor mij te zien. De man met glazen in zijn montuur zo dik als jampotten komt aan op Schiphol. Op het toilet neemt hij zijn bril heel even af voor een koude plens water in zijn gezicht. Hij dept zijn rimpelige gelaat droog en loopt weg. Maar zijn bril, die moet nog op de wasbak liggen. Hij spitst zijn oren en hoort het druppelen van een kraan. Op de tast zoekt hij tevergeefs naar de bril. Hij gaat af op het geluid van de schetterende mensenmassa. De hal met mensen oogt als een foto, geschoten met lange sluitertijd. Net als hij een voorbijganger om hulp wil vragen bedenkt hij dat hij niet meer weet waar de bril ligt. Zijn gezicht loopt rood aan van woede en een unheimisch gevoel overmant hem. De nare bijwerkingen van het ouder worden beginnen zich langzaam af te tekenen, en hij stelt zichzelf de onvermijdelijke vraag: word ik dement?

Misschien was de bril slechts een reserve-exemplaar. Niet in mijn fantasie, want daar krijgen bijzondere verhalen gestalte. En misschien ligt de gedachte van volgende week wel op de stapel oud papier. Snel red ik de krant van gisteren, voor hij in vergetelheid raakt.

Een ode aan Tijl

In zijn Pogingen tot Humor doet docent Tijl Rood uit de doeken hoe hij zijn vriendin in 116 seconden bezwangerde en dat hij de eikel na elk toiletbezoek even droog dept met wat wc-papier. In een van de werkopdrachten hekelt een student deze intieme uitspraken. Daar zit hij dan, in zijn vertrouwde felblauwe skinnyjeans, kortgekapte rossige haar en een sullig kopje espresso. Met het oog op de reële kans dat hij het in het vervolg uit zijn hoofd laat dit soort gevoeligheden tentoon te spreiden, besluit ook ik een brief aan Tijl te schrijven. Een ontboezeming van mijn eigen toiletescapades. Als een soort ode aan zijn openheid en het incasseren van de klappen van de valse student met een glimlach.

Woensdagnacht. Het is al na vieren. Door mijn aderen stromen wijn, bier en gore whisky. De stoffige, afgebladderde trappen kraken hard onder mijn pumps. Ik moet hoognodig mijn blaas legen. Mijn Duitse huisgenote, of ‘Das Luder’, heeft de tussendeur naar de badkamer en keuken weer eens van de binnenkant afgesloten. Omdat een slechte nachtrust van Das Luder een onmogelijke feeks maakt, besluit ik niet tegen de deur aan te trappen of haar hardop te vervloeken. Als ik nou gewoon probeer te slapen, kan ik het misschien wel inhouden. Maar in welke positie ik mij ook manoeuvreer, mijn blaas blijft kietelen. Hoe vaak ik mijn bekken ook intrek, geen blaasoefening is opgewassen tegen de zeurende drang om die straal ergens op te richten. Ik heb de keuze tussen een bloempot en een glas met een bodempje jus en drijvende schimmel. Die bloempot wordt vast een zooitje, dan moet die plant er weer uit, heb ik die aarde in mijn kamer rondslingeren. Ik hurk boven mijn bed, de onderkant van mijn nachtjapon tussen mijn tanden geklemd. De straal is ongecontroleerd en geel van de drank. Ik val in slaap aan de muurkant van mijn bed, ver weg van de urinevlekken, terwijl het glas dampende pis op mijn bureautje staat.

De dag erna komt Das Luder al vroeg thuis. Ik ben net klaar met de afwas, het staat nog in het afdruiprekje. Ze duikt de koelkast in voor een pak druivensap en reikt haar arm uit naar het afdruiprek. Mijn rechterhand klemt om een theedoek, de linker maakt heel even een schijnbeweging. Dan besluit ook de linkerhand dat het dan maar zo moet zijn. Ze slokt gretig haar sap weg.

“Und, wie gehts?”, vraag ik met een gulle lach, terwijl ik naar de aangekoekte geeloranje bodem van het glas kijk.

Op de hoek van de straat

Ik ben op zoek naar: een onbekend persoon, een stuk zwerfvuil en een architectonisch detail. Op iedere hoek van de straat liggen verhalen, moet docente Anne-Wil Petterson gedacht hebben. Ik moet eerlijk bekennen, ik zag niet meteen de schoonheid van het gele vaatdoekje, dat ogenschijnlijk toevallig op de bagagedrager van een fiets terechtgekomen was. Maar wie uitsluit dat er een bijzondere geschiedenis achter schuilgaat ziet die schoonheid ook onmogelijk.

Misschien heeft een contactarme man die luistert naar de naam Josje dat doekje gisteren vakkundig achter op zijn fiets gespannen, het was toen het nog zo geel als een citroen en zo zacht als een opgeschud dekbed. Heeft hij misschien de openingen tussen de spijltjes willen dichten, als een soort mini trampoline met extra veerkracht en vezels om in te verdwalen? Hij zou naar het Oosterpark gefietst kunnen hebben. Daar, aan het oversteekbruggetje bij de grote plas had hij moeder eend en haar pasgeboren kroost opgewacht. Hij zou het laatste eendje in de rij op het beslissende moment, ‘The Decisive Moment’ (wanneer moeder eend bij het oversteken van het bruggetje haar kop van links naar rechts beweegt) opgepakt hebben en als een dief in de nacht het park uit verdwenen zijn. Het eendje in de gele trampoline en Josje. Thuis had hij alvast een nestje voor het diertje gemaakt. Het eendje zou hij elf noemen, refererend aan de positie in de rij, en elf zou telkens terugvliegen naar Josje.


'Gewapend met een notitieblok speur ik de Albert Heijn af'
Maar ik zie Josje niet en ook niemand die aan mijn verbeelding van de schuchtere dierenvriend kan voldoen. Gewapend met een notitieblok speur ik de Albert Heijn af naar potentiële hoofdpersonages in mijn verhaal. Rookworsten, ansjovis en ingeblikte tonijn in de rug, ogen op scherp. Ik noteer: vrouw, boblijn, bordeauxrood geverfd haar. Houdt van sinaasappels en kaasfondue. Ze loopt naar het tijdschriftenrek. Vurig hoop ik dat haar keuze valt op een vunzig blaadje. Ze gaat toch maar voor de tv-gids. Niet eens een boeketromannetje voor bij de kaasfondue. Ik zet een streep door mijn aantekeningen en verlaat teleurgesteld de supermarkt.

Een donker meisje met ingevlochten haar en een rugtasje met een burberry-achtig patroon bepaalt mijn zicht. Ze draagt haar boodschappentas samen met een vrouw die praat met een Jordanees accent en een kapsel heeft dat associaties oproept met een dood struikgewas. Op de hoek van de staat de fiets van daarnet nog.

“Bennik toch nog vergeten van die viese gele doekkies te kopen, Kesha.” Mijn hart maakt een sprongetje. De Jordanese en Josje. Josje voor wie het doekje het begin van een leven met zijn soulmate betekende. En de Jordanese die de doekjes gebruikt om Josje’s kamer drie keer per week halfslachtig te poetsen waarna ze vervloekte krengen in de prullenbak smijt. Misschien kan ik haar struikgewas met al zijn complexe constructies dan als architectonisch detail inzetten.

maandag 8 februari 2010

Schrijven is schrappen

Anne-Wil Petterson ziet eruit als een draconische schooljuffrouw. Ze zit in de schoolbank alsof iemand een latje langs haar rug houdt. Ze heeft een A5 schrijfblokje voor zich liggen en met beiden handen houdt ze een pen vast. Ze draagt een donkerblauw wollen vest en platte zwarte schoentjes, die precies evenredig zij aan zij staan.

Ik zit nog maar amper, als ze de onrustbarende mededelingen uitspreekt.
'Telefoons uit en in de tas graag. En wie de drang voelt met zijn of haar buurvrouw te overleggen wordt vriendelijk verzocht elders in het gebouw plaats te nemen.’ Dan bedenkt docente Anne-Wil Petterson dat het raam achter mij open moet staan. Niets mag ons concentratievermogen belemmeren. ‘Heeft iemand hier problemen mee?’Ze scant indringend onze gezichten.Ik voel een rilling over mijn rug en terwijl ik naar de overeind staande haartjes op mijn arm kijk, schud ik ontkennend mijn hoofd.

Persoonlijke bronnen verkennen. Daar gaat het Petterson om. De eerste opdracht is meteen een schot in de roos. Ze wil dat de studenten tot in de finesses beschrijven hoe zij een bepaalde maaltijd ervoeren toen zij een jaar of zeven, acht waren en thuis woonden. Dit is per definitie al erg persoonlijk, want niet ieder kind is thuis opgegroeid.

‘Laat nooit iets weg omdat je niet wilt dat een ander het leest’, drukt Petterson ons op het hart. ‘Je mag er wel voor kiezen om je verhaal niet voor te lezen. Maar nooit andersom.’Haar belerende toon krijgt prompt een nieuwe lading. Ik voel mij beschermd, alsof zij met een metalen schild voor mij gaat staan als iemand vraagt: ‘Hoe was jouw jeugd?’ De straffe wind in mijn rug tempert mijn abrupt opzette hoofdpijn. Ik koester de afwezigheid van mijn mobiele verleidingen en de geïsoleerdheid. Niemand die op mijn blaadje meekijkt en als een onzekere tienjarige vist naar mijn verhaaltje.

Ik denk aan Hugo Borst, Jan Wolkers en Joost Zwagerman. Aan hoe ik benijd dat zij zo onbesuisd openhartig kunnen zijn. Een bevrijdend gevoel neemt mijn pen over en ik doe uitvoerig uit de doeken hoe ik die specifieke maaltijd: aardappelen met spinazie en een kotelet, ervoer. We lezen allemaal ons verhaal voor. Als ik aan de beurt ben voel ik een brok in mijn keel ter grootte van een appel. Kortademig lees ik mijn verhaal voor. Stiekem laat ik toch het een en ander weg. Schrijven is ten slotte schrappen.

donderdag 7 januari 2010

Hier

Vandaag zit ik eens op een andere plek. Ik zit hier niet veel, de straffe tocht in mijn rug houdt me weg. Naast mij hangt een ouderwetse spiegel, het aangezicht hiervan vind ik ook niet altijd even prettig. Maar, het overzicht dat deze plek biedt zorgt ervoor dat ik zo nu dan mijn vaste plekje even laat voor wat is het. Ik staar naar buiten, terwijl ik een suikerklontje door mijn ‘cappuccino’ roer. Een naam die deze slappe bak pleur eigenlijk niet verdient. Ik vermoed nog steeds dat de substantie die ten grondslag ligt aan deze vloeistof niets met gemalen koffiebonen te maken heeft. Bij iedere slok denk ik aan mijn jeugd. Aan de slap getrokken filterkoffie van mijn moeder. Daarom drink ik hem, intens genietend, iedere dag weer.

Het is hier lawaaierig, het interieur is niet af, en op de muur zitten zwarte vegen die verraden dat er heel lang een schilderij of een foto hing. Waarschijnlijk een geschilderd Oost-Europees landschap prijkte. Het felle licht in deze ruimte houdt me kunstmatig wakker. Door mijn wimpers scan ik de boekenkast naast mij. Tientallen boeken staan fier rechtop, dicht tegen elkaar aan. De collectie groeit gestaag. Ik zie titels als ‘De zwarte met het witte hart’, ‘Ik zie, ik zie’, maar ook een verhandeling van Plato, en vraag mij af: Waarom ben ik hier niet vaker?

Op twee meter afstand voert een vrouw, type redacteur bij de Telegraaf, een discussie met een man met warrig haar. Hij laat haar niet uitpraten, dit roept gevoelens van irritatie op. Volgend tafereel. Na een tweede blik op haar geworpen te hebben, zie ik dat de vrouw die schoon linnen over een tafel werpt, niet Viola Holt is. Deze mensen bestaan niet voor mij, ik besta niet voor hen. Zij vormen slechts achtergrondruis. Niettemin besluit ik dat ik deze vertoning niet interessant genoeg vind en begeef mij naar mijn vaste stekje.

Dit is de plek waar ik knopen doorhak, hier ontspruiten de beste ideeën zich aan mijn gedachten. Kruipend in de maagdelijk witte achtergrond, vloeit er steeds weer een golf van rust over mij heen. Zelden zit ik hier niet alleen. Boven alles verkies ik thuis te zijn, met mijn warme witte dekbed om mij heen gedrapeerd. Met desnoods een slecht RTL 4 programma op de achtergrond. In kneuterigheid verblijf ik.

zaterdag 27 juni 2009

Voor eeuwig

Niet dat het ook maar iemand een ratsass uitmaakt, maar toen ik het hoorde was het even na twaalven, verkeerde ik niet meer in nuchtere toestand en stond op het punt om mijn bedje te spreiden. De roes waarin in verkeerde werd overspoeld door een nieuwe, overweldigende roes.
De moijitos die ik eerder die avond dronk waren er de oorzaak van dat ik de informatie die mij werd aangeboden niet meteen kon ontleden. Er klonk maar één boodschap door en deze herhaalde zich constant, in de woonkamer door mijn gasten, op televisie, op internet en in mijn hoofd: Michael Jackson is overleden.

Het is half twee. We houden een kleine ceremonie; het voltallige album van Dangerous knalt door de speakers, de tv staat op mute maar we durven het nog niet aan om CNN af te zetten. Mijn facebook wordt geupdate, er worden telefoontjes gepleegd en smsjes verstuurd. Mijn zusje meldt dat een stukje in haar nu ook gestorven is. Ik mag van haar niet zeggen dat ik nu naar In the Closet luister. Nu moet ze huilen, ze is fan, dat weet ik toch? Ik ook, typ ik en druk op reply.
Mijn geliefde en ik besluiten de avond de bezegelen met Thriller, en we beseffen dat we elkaar nog hebben.

Tegen de tijd dat we wakker worden bericht NU.nl, dat het toch echt officieel is. Ik druip af naar de badkamer en stel vast dat iemand in de aangrenzende slaapkamer Smooth Criminal afspeelt. Op TMF is een MJ special te zien die bruut wordt onderbroken door een incapabele Saar, die pretenteert te kunnen presenteren. Een beller die meldt dat zelfs zijn moeder Michael Jackson kent, en die is nog wel Marokkaan! Shit man, dit is weer typisch de stuitende muziekzender. De rest van de dag kijk ik reportages, de één smakeloos (RTL Boulevard), de ander subtiel en MJ-fahig. (Ned 3)

Om half één stop ik met kijken, googlen en lezen. Niks geen treurige gedachten, en de media heb ik niet nodig. Ik ga zitten en vereeuwig mijn bewondering, verdriet, trots. Ik schrijf het van mij af.


At 25 years motown: first live performance of Billy Jean ever !