zondag 30 januari 2011

De Limburgse herberg

Rechts van mij een vrouw met een kampsyndroom:
"Het ergste wat je kunt doen is je kinderen het recht ontzeggen om hun ouders te zien. Ik heb nooit afscheid kunnen nemen van.."
Links de helderziende jeugdvriend van mijn vader:
"En weet je wat ik toen zei? Ik zei vergeven kan ik, maar vergeten, vergeten nooit.."

Aan de andere kant van de kamer onderbreekt mijn vader de monologen:
"Shinta, heb je Tineke al ontmoet, van die dichtbundel? Tineke, Shinta schrijft ook.."
Ik vouw mijn handen om mijn oren. Mijn rug gloeit. In mijn hoofd voel ik steken en kloppingen, alsof er een orkest met trommels, trompetten en een gong losbarst. Ik excuseer mij. Snel loop ik naar het toilet en sluit mezelf op. Ik luister naar het zoemen in mijn oren en fantaseer dat ik voor altijd hier mag blijven, in het donker met niets meer dan het rustgevende gezoem om mij heen.

De realiteit is anders. Ik ben op mijn vaders verjaardag en dat betekent een huis vol mensen die ik grotendeels niet ken; alles van mij willen weten; een ontzettend interessant levensverhaal hebben of anderszins mijn vaders empathie gewekt hebben.

Er moet iemand naar het toilet.

Nukkig verlaat ik het toilet en ga aan de andere kant van de woonkamer zitten. Een Indonesische jongen genaamd Tarzan zit naast me. Ik probeer een flauw grapje, hij spreekt de taal niet goed genoeg om er om te kunnen lachen, ik heb geen zin om het in gebrekkig Indonesisch uit te leggen. Een Arabisch uitziende man heeft een foto-album meegenomen. Hij begint uit te leggen. Toen hij nog in Irak woonde maakte hij zelf aquariums. Hij was kunstenaar, verdiende veel geld. Nu kan dat niet meer, want hij moest vluchten vanwege zijn geloof. Het enige wat hem nog herinnert aan zijn leven daar zijn de foto's. Het zijn kitscherige aquariums, gevuld met miniatuurkerkjes, speelgoedauto's en schelpen. Ik spreek geen Irakees, hij spreekt niets anders dan Irakees maar maar we begrijpen elkaar.

Mijn ouderlijk huis is een soort herberg. In de zomer stond er fervent Hare Krishna-aanhanger op de stoep, in wit gewaad met blote voeten en gitaar bewapend. Soms slapen er backpackers die op doorreis zijn in de logeerkamer. Dan legt mijn vader handdoeken klaar en maakt mijn moeder een traditionele Indonesische maaltijd. Als klein meisje keek ik eens stiekem in de rugzak van een Duits meisje. Haar hele leven leek er in te zitten. Ik dacht: Ze heeft zo weinig maar eigenlijk is ze heel rijk.

Zo kijkt mijn vader vast naar mij. Laat haar nu maar balen, eigenlijk is ze heel rijk.

Ook te lezen op www.djbroadcast.nl



- Posted using BlogPress from my iPhone


donderdag 9 december 2010

De Optimist

Momenteel ben ik redactie-assistent bij digitaal cultureel magazine De Optimist alwaar ik een wekelijkse rubriek 'portretschrijven' heb. Daarnaast zijn er essays en interviews van mij te lezen dus ik ben hier wat minder actief tot en met januari 2011. Lees mijn verhalen op De Optimist! xoxo

vrijdag 12 november 2010

Erfenis van de beterweters

De geëmancipeerde burger is na decennialange strijd ontevreden over de uitkomst van het mondige burgerschap. Want nu het oude gezag verlamd is en niet alleen de media en commerciële organisaties maar ook politici als schoenenpoetsers aan onze voeten liggen weten we daar opeens geen raad meer mee.

Het oude gezag, dat zich kenmerkt door een bevoogende, zeer indirecte democratie begint in de 70-er jaren af te brokkelen. De kantiaanse opvatting dat de burger zelfstandigheid hoort na te streven en geen leiding van bovenaf moet dulden vormt de bakermat van de individualisering. De macht van de overheid moet controleerbaar zijn en aldus worden wetten als de Wet Openbaarheid van Bestuur in het leven geroepen. Burgers willen over alles wat zich ook maar in hun straat zou kunnen afspelen inspraak. Hen komen rechten toe, en in naam daarvan komen ze voor zichzelf op. Dat zorgt ook voor een nieuwe benadering van het strafrecht. Het systeem, amper bekomen van de transformatie van een abstract dogmatisch vergeldingsstelsel in een instrument dat de rechtspositie van de burger moet versterken, wordt opnieuw herijkt. De burger verlangt nu dat de overheid niet aleen zorgend, maar ook straffend optreedt, uit hoofde van haar zorgplicht veiligheid en orde te waarborgen. Over alles wordt gedebatteerd en het dialoog is het nieuwe politieke mantra. De verzorgingsstaat wordt ter discussie gesteld en de zuilen verdwijnen: ontwikkelingen die vragen om nieuwe politieke mechanismen en organisatievormen.

In de dertig jaar die volgen komen die niet tot stand. Die afwezigheid van een stabiel systeem zorgt ervoor dat de mondige burger steeds meer te zeggen heeft. De eerste generatie burgerparticipanten vanaf de jaren 70 emanciperen onder de kap van de verzorgingstaat. Zij kunnen hun eigen woonkamer inrichten maar hoeven niet om te kijken naar de gang van zaken achter het hek van hun achtertuin. Als naar het neo-liberale idee van de nachtwakerstaat dan alles geprivatiseerd is in de jaren 90, ontstaat het besef dat de overheid de bal der verantwoordelijkheid terugkaatst naar de burger. En die zit daar niet op te wachten. Hoogleraar Wijsbegeert Gijs van Oenen: “De zelfstandige burger is nu definitief de hoofdrol toebedacht, maar een script kan en mag er niet meer worden geschreven. Dus wat heeft hij eigenlijk te zeggen?” Zonder de overheid niet bijster veel. De burger is het jongetje in de klas dat zijn vinger opsteekt en niet meer weet wat hij wil zeggen zodra hij aan de beurt is. Maar toch is hij er van overtuigd dat het de overheids-organisaties zijn die falen. De maatschappelijke problemen zijn niet afgenomen nu veiligheid, onderwijs, financiële markten en immigratie is uitbesteed, maar daar had de overheid dan maar toezicht op moeten houden. Aan de burger heeft het niet gelegen, die is welvarend, de politiek zou dus eens naar hém moeten luisteren, in plaats van andersom.

Die falende overheid hebben wij echter zelf gecreeërd. Ze is het resultaat van onze inspraak.We zeggen dus eigenlijk dat we zelf gefaald hebben. En die boodschap hebben politici niet in de wind geslagen. Pim Fortuyn is de eerste die begrijpt dat het gat tussen burger en politici gedicht moet worden. Als hij in 2001 de politiek in gaat krijgt hij de massa moeiteloos op zijn hand. Hij is voelbaar en aanraakbaar voor iedereen en keert zich bovendien tegen de puinhoop in Den-Haag. Na Fortuyn probeert Rita Verdonk het nog maar tot aan Geert Wilders slaagt geen populist er nog zo goed in de afstand tot de kiezer te overbruggen. We willen geen machthebbers die het beter weten, maar volksvertegenwoordigers die naar ons luisteren, die onze wensen in beleid omzetten. Een skateboardende Balkenende, Jan Marijnissen op de bank bij Robert Jensen, op visite bij Wouter Bos, we zijn gaan inzien dat sinds de ingetreden intimiteit-op-afstand, de maatschappelijke problemen nog steeds niet verholpen zijn.

Maar nu? We accepteren geen betuttelende overheid meer. Wat we echter niet beseffen, is dat dat oude, falende gezag, in is wezen ons eigen gezag is, tot stand gekomen door die verwoede burgerparticipatie. En omdat we niet meer terug willen naar het linkse decennium waarin we niks te zeggen hadden zoeken we heil in de populisten die zich zo duidelijk tegen de staat keren en Den-Haag doen voorkomen als één groot boos monster, een onwrikbaar geheel. Überpopulist Wilders vertolkt de onvrede van de geëmancipeerde burger over de valse belofte van het mondige burgerschap.

Maar het gevaar dat Dick Pels in 2007 al schetste in Vijf jaar na Fortuyn wordt nu bewaarheid: de directheidswaan waarbij het volk als een 'mythische eenheid' wordt beschouwd, en de 'volksleider' zichzelf ook als de exclusieve belichaming ervan gaat zien. Alleen in deze constructie ziet de teleurgestelde burger nog een mogelijkheid tot heerschappij van het soevereine volk. Wilders maakt daar dankbaar gebruik van, legt nog eens extra de nadruk op de wil van die anderhalf miljoen Nederlanders: de wens van die eerste generatie liberalen voor een schone luier en het vergroten van de angst voor taken waar de staat verantwoordelijk voor is (immigratie, integratie). En dat alles op een bedje van gedoogsteun, want alleen zo kan hij de volkswil blijven vertegenwoordigen zonder die om te zetten in bestuurlijke daden en politieke verantwoordelijkheid.

maandag 8 november 2010

Yummie mummies don't jive

“Dude, how are you supposed to dance on this kind of music?”
“That's the beauty of it. You're free to decide on your own. No rules. Just let your body guide you.”
I'm confused. “Really, is there not some kind of Goa dancemoves manual?” My friend shakes his head. A rush runs through my vains. Is this freedom?

Girls in shredded leggings holding a cigarette to match their smudged mascara and a fish eye lens pointing at their 'I don't give a fuck what you think' faces. The lomography camera belongs to a guy whose curly pony is blocking his sight. He wears a retro-vintage-new age-hippie bag around his waist. The ensemble appears a bit uncomfortable. If I didn't know better I would ask them if they were okay. But the way their shoulders shock in their leather jackets, how unnatural their feet point to each other, their spastic hand gestures. I didn't end up in a collective bad trip: I'm at a hipster party.

Every subculture has their own dancing conventions. To discard those is like entering a wrong password. You're not a guido if you don't smell you upper lip, wear your sunglasses on the tip of your nose and knock on the floor with your fist until the beat apparantly transforms in an imaginary boxing ball which you then to kick the shit out of. You're probably considered an intruder when popping and locking at an informal reception in between out-of-the-box thinking flexmanagers.
A burlesque pin-up daggering in her pencil skirt would definately lose that rockabilly feel.

In the end everyone wants to belong to a group. You can try to follow the beat of the music all you like, if you don't move your body in the right way, you will feel as if you are at the wrong party. And it's part of the human conditioning. We need conventions. To know how to dance and how to walk the streets. Yummie-mummies, never-ever grannies, ganguro girls, homeboys. The only way to be free is to become a new hippie and listen to Goa. But off course you would have to dye your hair pink and play with a random fluorine piece of toy while dancing in the rain, then.

t*licious

Magazine voor travestieten en transgenders. Cover ontbreekt alleen in dit bestand!
Tekst: Shinta Lempers,Anne Huibers, Danielle Lakeman, Crissy Thomas, Stefan Cornelissen,Veerle Maris, Lisanne Liebregts & Rosalyn de Lange
Vormgeving: Shinta Lempers en Anne Huibers
Art-Direction: Dirk Smit

t*licious

dinsdag 26 oktober 2010

De methode van Ton

23.30. Ton maakt zich op om naar bed te gaan. Hij staat voor de wasbak, precies in het midden. In zijn rechterhand de roterende Oral B elektrische tandenborstel met speciale AV-A vormige haren. In zijn linker een zacht geïmpregneerd washandje. De heen-en-weer oscillatiebewegingen van de tandenborstel voltrekken zich synchroon met die van het washandje. 23.34 Ton strekt zijn rechterarm uit. De oplader van de tandenborstel staat precies op de plek tot waar zijn arm reikt. Moeiteloos valt de borstel in het oplaadpinnetje. Ondertussen stapt hij met zijn rechtervoet op het pedaal van het prullenbakje en gooit het washandje in een dusdanige boog dat het de binnenwanden van de emmer zo veel mogelijk ontziet.
Lizzy ligt inmiddels al in lepeltje-houding in bed.
“Blijf zo maar liggen”, fluistert Ton in haar oor. Hij drukt zich tegen haar aan en zoals iedere nacht protesteert ze niet. Daarom, en omdat ze de eerste vrouw in zijn leven is die niet zeurt over zijn gewoontes, houdt hij zoveel van haar. Een emotie die hij durft toe te laten sinds zij in zijn leven is. Sinds zij bewezen heeft dat ook haar leven zich enkel en alleen afspeelt rondom hem. Geen kind, ex-vriend of baan die een wig tussen hen kan drijven. Terwijl hij zijn stijfgeworden lul in haar wringt scheurt hij rustig, en precies de scheurrand volgend, een wegwerpvaatdoekje van de wegwerpvaatdoekjesrol om de houder op hun nachtkastje, en schuift het fluks onder haar billen. Hij begraaft zijn hoofd in haar weelderige bos blonde krullen, die altijd ruiken naar zijn favoriete vrouwenshampoo. Vier minuten later, waarvan hij een minuut niet, en drie minuten wel nadenkt over de vraag hoe hij het doekje zodadelijk nog efficiënter kan opvouwen, rolt hij Lizzy een beetje van zich af en vouwt het wegwerpvaatdoekje op. Linkerpunt op de rechter, dan van boven naar onder en nog een keer dubbel. En hij mikt als een volleerd basketballer op het prullenbakje in de hoek, die hij nu het donker is niet ziet maar niettemin weet hij dat het opgevouwen goedje nu bovenop de andere opgevouwen goedjes beland is.

De dorpsbewoners zijn inmiddels gewend aan Lizzy. Soms zit ze urenlang achter het raam dat beplakt is met zo een semi-verduisterend stickervel, maar waar haar perfecte verschijning niettemin doorheen schemert. Haar immer gestifte lippen, van het volume dat geregeld in echtheid betwijfeld wordt door de vrouwen in Natasja's schoonheidssalon. Haar puntige tieten en die ranke schouders: Lizzy is het opgesloten onderwerp van de fantasie van de bakker, de accountant op de hoek en van de barman en zijn stamgasten. Maar Lizzy doet nooit een stap buiten de deur, geduldig wacht ze elke dag van negen tot kwart over zes tot Ton haar komt verzorgen. Zonder hem is ze niet meer dan een kasplantje.

Ton kijkt op zijn digitale duikershorloge. Hij haalt een brillendoekje over zijn glazen en kijkt nog eens. 17.45. Nog even en dan kan hij weer naar Lizzy. De waas die de laatste tijd over haar ogen ligt verraadt dat ze niet al te lang meer deel zal uitmaken van zijn leven. Maar hij wil het afscheid zo lang mogelijk uitstellen. Hij kan zich geen leven meer zonder haar voorstellen. De eenzaamheid, de lege plek in zijn bed. Drie jaar geleden, toen hij voor het eerst met haar kennis maakte op het internet, was hij meteen verkocht. En nog steeds is zij zijn kalme middelpunt in dit universum van klunzige non-anticipators en geilboze impulsjagers. Ton kijkt weer op zijn horloge. 17.46. Heeft hij een minuut staan dagdromen? Snel herpakt hij zich, enigszins trots op het feit dat hij blijkbaar niet meer hoeft na te denken bij zijn handelingen. De grootte van zijn pas, de druk van de straal, de boog die zijn arm maakt: ze lijken wel voorgeprogrammeerd. Moeiteloos spuit hij het afval op straat bij elkaar, met de behendigheid van een sproeier die je 's zomers wel eens ziet in grote tuinen. Als Ton in zijn auto zit is het, zoals altijd als hij op huis aan gaat, precies 18.00. Terwijl hij uit het parkeervak rijdt kijkt hij even in het spiegeltje op zijn dashboard, dat hij daar bevestigde zodat hij niet meer over zijn schouder in de dode hoek hoeft te kijken. Op de plek waar zijn handen het stuur omklemmen zitten twee stresskussentjes.

“Lizzy, boterbloempje van me, ik ben thui-huisss.”
Ze ligt in bed, verstomd als een fossiel in een kolkende zee van dekbed.
“Mag ik bij je komen liggen?” Ton slaat het dekbed van haar af. Dan schrikt hij terug.
Een witgele vlek, zeker zo groot als een koffiefilter, besmeurt de plek waar Lizzy vannacht gelegen heeft. Hij inspecteert Lizzy, terwijl hij vanbinnen al begint te koken van woede waardoor zijn vingers beginnen te trillen en hij zelfs de vlek raakt met zijn knie.
Ik heb niks meer aan haar, besluit hij en hij hurkt naast zijn bed. Dan trekt hij de kist met daarin het benodigde materiaal, wat hij daar al een tijdje geleden heeft gelegd toen hij merkte dat het bergafwaarts ging met haar. Hij rolt haar in de kist en slaat ferm de twintig spijkers, met daar tussenin steeds tien centimeter ruimte, in het hout. Uit zijn nachtkastje pakt hij een zwarte stift en hij schrijft in grote letters op de kist:

Bill's real dolls factory –repair service

Beheerst trekt hij het flanellen hoeslaken van zijn bed, vouwt de punten op elkaar en gooit 'm in de wasmand. Raak.


Het verhaal is gebaseerd op de logline uit de film The Discipline of DE van Gus van Sant. Ik kreeg alleen deze zin mee en mocht de film niet zien:

“Do Easy is het perfectioneren van iedere beweging om een uiterste vorm van efficiency te bereiken. Zo ver dat zelfs niets doen efficient gemaakt wordt.”

woensdag 6 oktober 2010

Vieze korstjes eten

Het meisje kijkt
in het verongelijkte oog
Van de loop
In haar schoot
De groene deken van gras
Grijpt haar sponzige handen
In de houdgreep
Langzaam rolt haar lijf om
Mama, mama laat me los
Over haar kruipt een wolk
Door haar ijzerdraad cocoon
Van het zwaarste soort metaal
Tegen versgepoetste tanden
Kolkt de tornado van ingekapseld as
In haar hoofd kinderliedjes
Want vroeger toen ze korstjes at
Van die vieze harde langs het brood
Kon ze zo wel alles op





- Posted using BlogPress from my iPhone

maandag 4 oktober 2010

Hoe bedoel je, geen internet?

Uitgave van de Hoge School van Amsterdam. Ik heb de fotografische vormgeving verzorgd en één van de essays geschreven. Met een voorwoord van Bas Heijne en te koop in Amsterdamse boekhandels zoals Atheneum.

vrijdag 24 september 2010

En dat het dan niets uitmaakt





Credit: Sarah-Lou Newman


Unheimisch als wakker worden
op eendenveren en geen dons

Daar waar ik me veilig voel bekruipen mij
Vieze zwarte stugge prikkende
Eendenveren
Doelen die me de baas zijn
Want ze maken me bang
Ik kan er niet bij

Veertje wordt nou dons
Drogeer me met berusting
Laat je door mijn vingers glijden
En dat het dan niet uitmaakt
Dat ik met lege handen sta

Dat ik niet hoog greep
Maar geloofde
Zeg dan dat ik wel m'n weg vind
Net als jij tussen verdwaalde
synthetische stofjes

De berenval om die plek
Waar mijn hart zit
Als de druk bij paardenrennen
Gokken op het bonkige zwarte
En dan nooit meer een blik
van die witte

Wie kent mij over tien jaar
Waarom is er altijd een maar
Doen, doen niet denken
Maar ik wil gewoon even
Mijn hoofd in het dons steken

En dat het dan niets uitmaakt



- Posted using BlogPress from my iPhone






maandag 20 september 2010

Zwart en in hemelsnaam




credits: blackandwtf

Oftewel Black and WTF is een fotoblog waar de meeste bizarre vintage fotografie verzameld wordt. Een beetje zoals de Shadow Archives in GUP magazine. Maar dan zonder te verklaren waarom een voltallige dansgroep en band gasmaskers dragen, een aapje op mini-stelten loopt met een 'watch your step' bordje om zijn nek en waarom de ene Venetiaanse clown de ander spankt.

maandag 13 september 2010

De Smaak van Verlangen (Rama en Sita in 2010)


Rama en Sita © Heather W.

Mijn wangen proeven elke dag
De eenzaamheid, de wil
Tijd kabbelt voort
Alles staat stil

Je bent koud, je bent kil
Mijn inbox blijft leeg
Je levensschetsen
Ik ben nog slechts het grijs
van een potlood
Na een gomveeg

En toch sta ik hier
Uitgespreide armen

Ik kijk
Naar verdwaalde eilandbewoners,
Seriemoordenaars, verwarde schrijvers,
Ik kijk,
Maar ik zie niets
Zo onbelangrijk

Harde decibellen vullen mijn gehoor
Ik ben Remi
Veinzend dat ik gloor
Maar vanbinnen vlechten zoute tranen
Mijn hart onzichtbaar

Wachten op jou
Een marteling zonder littekens
Als zonder zonden leven
Voor een gelovige
Verheven

Geen andere schouder biedt mij troost
Geen andere stem brengt mij in vervoering
Geen andere mond die mij liefkoost
Nooit

Er is geen ander
Er was geen ander
Ik verleidde niemand
Nooit

Al wat ik opving
waren kwade bedoelingen
Dus ik ging
Onverlet

Ik hoop
Ik hoop vanuit het binnenste van mijn ziel
mijn hart, mijn lichaam
Zo waar, ik kniel
Ik hoop dat er gegrift staat
Hoe jij mij lief had
En leerde hoe ik lief moest hebben

Ik hoop
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht
En wacht

donderdag 9 september 2010

Blijf bij je biehtjah

Hij doet me denken aan iemand. Aan de man die altijd in het dorp voor de snackbar hing met zijn opgevoerde brommer. Op z'n voorwiel balanceren als een handjevol bakvissen dropsleutels kwam kopen. Het was zo iemand die op bouwjaar beoordeeld zeker geen jongen meer was, maar altijd zijn ID moest laten zien aan argwanende portieren.

Misschien dat dat het is. Dat ik zie wat hij niet ziet. Dat de spin-off van dit programma niet groter zal zijn dan een opstapje naar een nieuwe hang-out. Over een jaar zal hij voor de hippe strandtent in Den-Haag paraderen, een biehtjah wordt een prosecco, een wit Jack & Jones bloesje zal terloops onder een stapel Versaasjes worden geschoven. Maar zijn roem zal niet verder reiken dan het snaveltje van een pasgeboren kuiken uit een eierschaal.

Ook al steelt hij menig kijkershart met zijn bijzondere mimiek. Want Robert, of Jokertje luidt ieder woord in met een Lange-Jan rekbeweging en kijkt daarbij alsof hij net een slag met de punt van een natte theedoek op zijn wangen heeft gehad. En zijn ogen die dan schreeuwen: "Kom maar op, ik ken het hebben!"

Matthijs van Nieuwkerk sprak de realityster van Oh Oh Cherso gisteren in De Wereld Draait Door per abuis aan als Sterretje. Je zag 'm ter plekke breken. Verward keek hij om zich heen. Zijn karakter was gebouwd rondom het gegeven dat hij de gekste was, de joker, hoe kon die cultuurgeilaard dat nou niet zien? Je zag de angst in zijn oogjes: "Ik sta volgende week weer voor de FEBO." Matthijs brak de vleugels van een pasgeboren kuiken. Hij zag de kracht van de underdog niet. Sterretje was het die hem imponeerde.

Ik wil Matthijs hiervoor bedanken. Af en toe moet zo een jochie gewoon gebroken worden. Voor die anderen is het al het laat. Jamai is weer dik, Marc-Marie Huijbregts zit in de jury van Popstars, Jaap chat met Joran, Susan Boyle loopt huilend weg bij een duet met Lou Reed, Jan Marijnissen zit bij Jensen op de bank. Van ondergewaardeerd tot overgeëxploiteerd.

Underdogs moet je klein houden.

link naar Dj Broadcast

vrijdag 27 augustus 2010

Kaboutermutsen




Twee kaboutermutsen
Kisten, aderrijke enkels
Twee beteuterde blikken
Was dit een goed idee?
Dan de jongens
Jong, en Jezus
Ook nog knap
Een verzoekje, een flits
Dit is genoeg, meer hoeft niet
Twee glunderende gezichten
Alles is goed

vrijdag 20 augustus 2010

Flying Lotus




Vlieg Lotus, vlieg
Ik heb geen paddenstoelen nodig
Warme bas omarm me
Electrische scherpe steken
Zonder messen of stekkers
Vlieg Lotus, vlieg
Knik, knak, de katalysator
En breng me niet omlaag

voor www.lowlands.nl

Opblaasvisje

Opblaasvisje
Was ik maar een opblaasvisje
Licht en op mijn lauweren
Maar aan een zijden draadje
Is niet erg
Zonder is nog zaliger
Ik wil ook
Branden in de blakende zon
Weten dat
Als het dan mocht breken
Bang zijn niet bestaat

woensdag 18 augustus 2010

Festivalkeuzestress

Ze worden omringd door een zweem van zeep en opiumparfum (die oude mannengeur). Er is geen mixtafel en geen koptelefoon. Wel zijn er alumineumkleurige kistjes gevuld met kleurrijke dubbel-cd's en fluwelen poetsdoekjes. De witte tuinstoelen lijken vastgeplakt aan hun paffige lijven. Er worden minitieuze armbewegingen gemaakt. Marco Borsato's Dromen zijn Bedrog is bijna afgelopen. Dan Hitzone 19. De Vengaboys met Boom Boom Boom Boom. Dat zweept het publiek wel op.




Dit is niet een sfeerimpressie van het vijfjarig jubileum van de VVM, de Vereniging voor Verlegen Mensen. Het betreft hier ook niet de supriseparty van een Vaalse fanfaresecretaris die 52 is geworden. Nee, het is vrijdagavond en ik ben op Solar Weekend in Roermond.

Ik benijd het duo in de donkere legertent naast de campingdisco. De twee zien er uit alsof hun enige zorg is om op tijd de cd's te verwisselen. Ik moet mij bezig houden met vragen als: heeft iedereen in mijn gezelschap het naar zijn zin? Wanneer treedt Nobody Beats The Drum op? Is dat podium Mainstage of House? Zal ik vanavond toch maar nuchter blijven? Waar is nu toch die timetable? Zal ik nu mijn jasje uit de tent gaan halen of duurt dat te lang en mis ik dan...

Keuzevrijheid was tot de Ontzuiling niet vanzelfsprekend. Je hoefde niet lang na te denken over welke krant je las en met wie je 'tot de dood ons scheidt' de rest van je leven aardappelen at. Voor mij zit een vrouw, laat ik haar Bep noemen, die zich weinig kan voorstellen van mijn voortdurende keuzekwelling. Bep zal Jan ontmoet hebben in 't Cafe in Guttekoven. Nu zitten ze hier, dertig jaar later. Keuzes zijn er nauwelijks meer gemaakt. Ja, in de jaren 90 stapten ze eens over op die blitse cd's. Jan verloor nog wat meer haar en besloot tot een schuine lok over zijn hoofd. En Bep schafte een mobiele telefoon aan. Voor de veiligheid.

Net als het leven stellen festivals je constant voor een keuze. Je ziet bezoekers vertwijfeld om zich heen (Waar is iedereen? Welke Dixie is het schoonst?) of naar hun tijdschema kijken. Beveiligers kijken nauwlettend naar voorhoofden. Nerveuze pillensmokkelaars. Fakkelbrigade weet niet of ze ook die oude Opgezwolle-shit moeten doen. En ik? Ik gooi mijn tijdschema dit jaar weg. Als je niet weet welke opties er zijn heb je er maar één: het toeval. En onbegrensde vrijheid.

Ik voel opeens sterk de behoefte om The Soca Boys op te zetten. Van uit de tijd dat ik nog niet hoefde te kiezen.


- Posted using BlogPress from my iPhone

maandag 26 juli 2010

Het is hip om te hoppen



Een paar maanden geleden geschreven voor Dj Broadcast: making a magazine in 24 h.


Ik denk dat ik schuldig ben aan een nieuw soort misdrijf. Genrehoppen. Ik wissel sneller van muzieksmaak dan een catwalkmodel van outfit. Waarom heb ik die constante hopneiging? Willen genrehoppers alleen tot de grachtengordel van muziekliefhebbers behoren of houden ze echt van de muziek?

Het begon ongeveer zo. Ik was krap achttien en iedereen ging naar clubs. Dus ik wilde naar festivals. De stad? Dat was toch het domein van meisjes in witte leggings en tuniekjes? Meisjes die hun hoofd in de nek gooien, de hals van Flügelsflesjes tussen hun tanden klemmen en de gemorste vloeistof van elkaars kin likken. Ik wilde een Späcerfrau zijn, een zonnebril dragen in een donkere zaal en hoekige bewegingen maken op een nieuwe muziekstijl: Funky-house. Ik danste de hele zomer naar de pijpen van Funky-house dj’s. Toen er een Hyves-pagina kwam voor de muziekstijl, die in mijn beleving alleen was voorbehouden aan ‘mensen zoals ik’, was de lol eraf. Ik wilde uit mijn housebroek.

En in m’n technojasje. Zelfde hoekige bewegingen, zelfde zonnebril, nieuwe djs. Vooraan
bij Trentemöller, met niets meer dan de dreunende tonen van de techno in mijn eigen universum. Ik wilde net het verse zweet van mijn neusvleugel vegen met het puntje van mijn shirt toen ik hem zag staan. Zelfde zonnebril, zelfde dansmoves. Alleen nu met een felgekleurde Eastpak-rugzak hoog op zijn rug. De hele zomer had hij in mijn ooghoeken gestaan. Loser, dacht ik. En nu stond hij hier. Ontkennen had geen zin meer.
Ik was net als hij. Een genrehopper. Iemand die moeiteloos van een skinny naar een baggy overstapt. Niet per se van de muziek houdt, maar van de aandacht die het bewuste genre krijgt. En er meteen weer van afstapt als het teveel mensen aantrekt.

Genrehoppen gaat hand in hand met een constant wisselende kledingstijl. Naar electrofeesten ging ik gehuld in een abstracte top met een zelf gefabriceerde riem met een geel casettebandje van He-man and the Masters of The Universe. Of ik sloopte de controller van mijn broertje’s Supernintendo en maakte er een broche van. De afterparty van Daft Punks concert in de Heinken Music Hall in 2006 voelde als één grote lachspiegel. Ik liep nog maar net de oude zaal in of ik zag een meisje met hetzelfde opgeschoren kapsel als ik en verdomme dezelfde Nintendo-controller broche. Ik voelde me knap lullig, en door de knalblauwe wielrennerbroek die ik die ochtend vol zelfvertrouwen had aangetrokken kon ik mij niet even onzichtbaar maken. Ik had toch bedacht dat Ed Banger shirtjes the new thing to wear waren? Of werd het mij opgelegd dat ik die shirts moest dragen, controllers moest opspelden en naar Uffie en Boys Noize moest luisteren?

Op het moment dat je als genrehopper geconfronteerd wordt met het feit dat je hopt omdat het hip is, ga je je verzetten. En dan wordt je een vermoeiende hopper. Dan wil je van alle opschmuk af en terug naar de essentie. Niet meer bij ‘hun’ horen maar anders zijn. Gewoon lekker nonchalant de laatste twee uur meepakken van een, uiteraard, minimalfeestje in een spijkerblouse en afgetrapte Vans. Net als dat meisje met de Nintendo-controller en de jongen met de rugzak. Het lijkt wel of we steeds meer loskomen van de muziek an sich. Ook dj’s hebben er last van.

Genrehoppen is een kwaaltje dat bij dj’s vaak voortkomt uit een andere motivatie dan die van de luisteraar. Zij willen de massa juist dienen. Het hoppen is dan vooral een middel om het imago op te vijzelen of om te portemonnee te spekken. Want een dj die anno 2010 nog Funky-house draait is niet verzekerd van een plekje in de line-up van een hip festival. Behalve als je Tiësto heet. De nieuwe single van Major Lazer’s Diplo is namelijk een samenwerking met deze goeroe van de Trancemuziek. Waar Diplo normaal Blog-house maakt, is de nieuwe single een wrang samenspel van Electro en Trance. Sidney Samson maakt zichzelf ongeloofwaardig door Dubstep door zijn house te mixen. Zijn grijsgedraaide plaat Riverside wordt daarmee nog moeilijker te verteren dan het origineel. De koning van het genrehoppen is toch wel Dj Chuckie. De kans dat hij ooit een eigen stijl ontwikkelt is nog kleiner dan de kans op een rechtschapen Limburgse priester. Dj’s veranderen van stijl als kameleons. Maar ook veel Mtv-clip artiesten vinden het moeilijk om stijlvast te blijven. The Black Eyed Peas transformeerde na een vette stijlinjectie van een bluesbandje met hip hop invloeden in een semi-electronische popformatie. Geen haan kraait er naar, want de genrehoppers die er ooit naar luisterden zijn inmiddels al drie muziekstijlen verder. Nelly Furtado’s folkloremuziek werd alleen door een nichepubliek verorberd, dus nam ze de poptrein via club naar R&B.

Toen ik erachter kwam dat ik een genrehoppper was vroeg ik mij af: ben ik nep?
Zou ik een heel andere afspeellijst op mijn iPod hebben als ik geïsoleerd op een zolderkamertje woonde, ver weg van festivals? Ik denk het niet. Ik luister naar alleen naar de muziek die ik wil horen. Ik heb ook heus wel één, weliswaar geheime, afspeellijst met Celine Dion en Aventura, maar die smaak wordt niet gauw weerspiegeld in het publiek van de feestjes die ik graag bezoek. Stiekem loop ik met een grote boog om die verdwaasde vrouw met een Celine Dion-shirt aan en een cowboyhoed op haar hoofd. Ik hop lekker veilig mee met de hippe mensen, naar de volgende spannende muziekstroming. Of dat nu ambient is of schläger. Maar op mijn zolderkamertje ben ik zo stijlvast als Mondriaan.

zaterdag 24 juli 2010

Uitlaatklep

Slingert uit mijn borstkas
Hard als een stoeprand
Van je af schrijven bestaat niet
Geen goocheltruc of schoenendoos
Wegstoppen gaat niet
In mijn hoofd stroomstootjes
Sijpelend bloed stolt met verwijten
Als kruisbestuiving zo funest
Met een floers van tranen
Met alles wat ik heb
Zoek ik naar een uitlaatklep


- Posted using BlogPress from my iPhone

woensdag 21 juli 2010

Een revolutie in Mexico-city

Leon duikt weg. De sinaasappel komt met een rotvaart tot stilstand tegen het doek. Het oranje sap druipt van Diego’s gezicht. Dikke slierten vruchtvlees bedekken zijn krullen. Leon zit gehurkt achter een houten stoel. Hij kijkt door de opening tussen het zitvlak en de leuning. Ze maakt wilde handgebaren naar het met sinaasappel besmeurde schilderij en begint paniekerig te krijsen. Ze pakt een geblokte theedoek en wrijft ermee over het doek, zo ruw dat Leon het niet meer aan kan zien. Hij pakt haar hand en laat haar het doek voorzichtig schoon deppen. Haar schouders schokken en haar handen trillen. Uit haar vuurrood gestifte mond komt spuug van het huilen. Leon geeft niets om ruzie. Het maakt haar alleen maar mooier. Door haar dikke, borstelige wenkbrauwen, die een grote zwarte streep boven haar ogen vormen, lijkt ze altijd kwaad. Maar Leon weet wanneer ze echt driftig is. Dan krijgt ze een rode blos op haar getinte slapen en worden haar ogen groot en zwarter dan de kohlpotlood eromheen. “Kom, drink een glaasje wodka met me. Laten we vandaag vergeten en aan morgen denken.”
Ze snikt maar haar schouders schokken niet meer. Leon schenkt twee glaasjes wodka in. “Deze wodka heeft mijn oom zelf gebrouwen. Je zult hem ontmoeten zodra het veilig is om terug te keren. Mijn agenten zitten overal waar Stalin zit. Ik ben de gedoodverfde opvolger van Lenin, het is gewoon een kwestie van tijd, liefste.” Ze slokt de wodka in een keer achterover. “Hoe lang duurt het nog Leon, hoe lang moet ik nog zo leven? Ik word gek, heb je mijn zelfportretten de laatste tijd gezien? Ik schilder dat ik mijn eigen hart uitruk. Ik verlaat niet alleen mijn echtgenoot voor jou, maar ook een veelbelovende kunstenaar. Diego Riviera, ik geloof in hem. Hij wordt wereldberoemd, dat voel ik! Ze zegt het terwijl ze met haar vuisten op tafel stampt. Soms denkt Leon dat er iets donkers in haar schuilt, en ze dat verhult met al die gele, groene en paarse bloemen, al die zilveren armbanden en die weelderige rokken. Als behang over een muur met schimmel en vochtplekken. “Geloof je in het communisme, geloof je in mij?” Ze zegt dat ze dat doet en samen proosten Leon Trotski en Frida Kahlo op elkaar en op het communisme.

donderdag 15 juli 2010

Op de boulevard

Het is Bert van Marwijks verlangen naar zijn gezin in Meerssen. Armin van Buurens adrenalinekick. Mark van Bommels verbluffing. De spanning van de schipper. Het is het onzichtbare achter het zichtbare.

Dinsdagochtend. Bert van Marwijk wordt niet lekker wakker. De teleurstelling ligt nog steeds als een zwaar dekbed over hem heen. Hij wil naar huis. Waar de abrikozenvlaai en de kleinkinderen op hem wachten. Maar eerst dit. Hij maakt zich op voor de middag. Voor de spiegel schudt hij nog even zijn kaken los. Lachen. Heel het toernooi kwam hij weg met een sporadische gelukskreet. Nauwelijks veerde hij op van de bank. Vandaag zal hij handen schudden met Hare Majesteit en hossen op housemuziek. Als dat maar goed gaat. Bert klopt op zijn borst. Als een echte ridder.

De schipper heeft een voorhoofd als een natte spons. Hij kijkt naar de jongens op zijn boot. Naar Ibrahim Affelay die wild de oranjefans filmt. Die raakt dat ding zo nog kwijt, verzucht hij. Johnny Heitinga en Mark van Bommel trekken aan shirtjes en proosten wang aan wang. Neuzen naar de grachten, dan weer naar de camera's. Ze zien er uitgelaten en opgelucht uit. De schipper heeft geen tijd om ervan te genieten. De mensen leunen niet voor hem over de bruggen. Hij is onzichtbaar. "Bukken!" buldert hij tegen de springende jongens. Lage bruggetjes, zwemmers uit het niets, de supportersbootjes die tegen de boeg rammen. Hij veegt zijn oranje sjaal over zijn voorhoofd. De wolk van rook en confetti belemmert zijn zicht. Straks de schade vaststellen. Straks.

Net zoals de agenten op de zeventien begeleidende politiebootjes ben ook ik onzichbaar. Als de pruttelende woede van de damschreeuwer. Of de fan die bij het spandoek hoort ('Webb, go to Robben Island'). Een evenement bestaat bij de gratie van onzichtbaarheid. Het oranje is ontleedbaar tot honderdduizenden uitdossingen. Hawaiaanse kransen, vlaggetjes, lippenstift, tuinbroeken, pruiken, badjassen. Ze staan slechts ten dienste van de oranje colonne waar Mark minutenlang vol ongeloof naar kijkt. Even negeert hij de arm van Johnny. Meeproosten doet hij wel. Maar zonder naar zijn biertje te kijken. Je ziet het daar gebeuren. Zijn teleurstelling. En die van Bert. En die van de andere mannen op het podium verdwijnt als sneeuw voor de oneindig ver strekkende oranje zon.

En ik sta op de Boulevard of Broken Dreams. Een meter van het hek. Tussen dorstige keeltjes, bezwete ruggen, kapotgetrapte pletterpetten, in beesies gestoken paardenstaarten en blikken Hollandia bier. En ik zing Bloed, Zweet en Tranen. Achter mijn zonnebril gaat een traan schuil. Maar het maakt niet uit. Want ik ben er niet. Ik ben onzichtbaar.

link naar het artikel op DJ Broadcast.nl